Eibergen,april 2009,

Beste lezer of lezeres!
Ik heb steeds het gevoel in me iets op papier te moeten zetten over mijzelf, mijn familie en de omgeving waarin ik opgroeide. Ik zal proberen dit zo nauwgezet mogelijk te doen zodat later nog eens kan worden teruggekeken op een aantal, in mijn ogen roerige gebeurtenissen, die niet in het vergeetboek mogen geraken.
Het lag niet in mijn bedoeling een genealogische verhandeling te publiceren, echter toch moet de lezer goed weten dat onze naam Assink al in het jaar 1300 genoemd werd in de betalingsregisters van het bisdom Utrecht als het toenmalige erve Assing dat gelegen was in de marke Driene in de buurt van Hengelo.
De naam Assink behoort dan ook tot de oude Twentse geslachten, waarbij voor wie daar zin in heeft, een mooie taak is weggelegd dit genealogisch nog verder te onderzoeken.
Zelf ondernam ik een zoektocht naar mijn voorgeslacht en werd daarbij prima op weg geholpen door Jan Sprokkereef uit Markelo en Dr. Wim Nijhof uit Apeldoorn wiens overgrootvader een broer was van mijn overgrootvader.
Beide voorzagen mij van veel informatie.

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                           
Hier komen ze dan, de Assinks waar ik van afstam:
Zwier Assink, geboren ca.1560 , 
Hij woonde op erve Assinck in de buurtschap Elsen, dat te vinden is tussen Rijssen en Markelo.
De inmiddels verbouwde boerenhoeve staat in aan de Rijssenseweg 60. Links een afbeelding van de boerderij.
In het verpondingregister van 1601 en 1602 is hij met 9 mudde (3,6 hectare) land één van de grotere boeren in Elsen.
Hij moet wel de toen genaamde  'vierde gast' geven, een soort grondbelasting van 25%. 

Uit zijn huwelijk is zoon Arent geboren.

Arent Assink
,
geboren ca. 1600 te Elsen.
Arent wordt genoemd in het verpondingregister van 1649 waar hij tot een van de grotere boeren wordt gerekend in de boerschap Elsen. Uit zijn huwelijk is zoon Tonis geboren.

 Tonis Assink
, geboren ca. 1620 te Elsen.
 Tonis trouwde in 1651 in Rijssen met Trintien Jansen.
 Kinderen uit hun huwelijk: zoon Hermen met vier broers en een zus.
 
 Hermen Assink
, geboren ca. 1645 te Elsen.
 Uit een tweede huwelijk in ca. 1680 met Jenneken Lenfers is ondermeer zoon Jan geboren.

BET-BET-BETOVERGROOTVADER  Jan Assink.
Jan trouwde drie maal en kreeg totaal dertien kinderen.
Hij werd geboren op 16-03-1684 te Elsen en was een zoon van Hermen Assink en Jenneken Lenfers.
Gehuwd voor de kerk (1) ca.1700 met Jenneken Catteler, geboren ca.1680.
Gehuwd voor de kerk (2) ca.1710 te Rijssen met Hendrikjen Reefhuis, geboren ca.1690.
Gehuwd voor de kerk (3) op 36-jarige leeftijd op 19-01-1721 te Rijssen met Garritjen Roelevink, geboren ca. 1697 te Stokkum. Zij was dochter van Jan Roelevink.

Uit het eerste huwelijk werd geboren:
1. Hermken, geboren te Elsen, gedoopt op 20-12-1705 te Rijssen

Uit het tweede huwelijk werden geboren:
2. Berend, geboren op 13-11-1712 te Elsen
3. Hermen, geboren op 09-12-1714 te Elsen

Uit het derde huwelijk werden geboren:
4. Hendrik, geboren te Elsen op 1722 te Elsen
5. Jan, geboren te Elsen op 1723 te Elsen
6. Garrit, geboren op 09-05-1727 te Elsen
7. Hendrik, geboren op 31-07-1729 te Elsen
8. Maria, geboren ca.1730 te Elsen
9. Jan Hendrik, geboren ca.1732 te Elsen
10. Harmen, geboren op 03-10-1734 te Elsen
11. Jenneken, geboren op 26-02-1736 te Elsen
12. Aeltjen, geboren op 17-11-1737 te Elsen
13. Harmen, geboren op 19-03-1741 te Elsen. (mijn Bet-Betovergrootvader)

BET-BETOVERGROOTVADER  Harmen Assink.
Mijn bet-bet overgrootvader Harmen Assink werd op 19 maart 1741 als laatste in de rij in Elsen geboren en in Rijssen gedoopt. Harmen trouwde op 46 jarige leeftijd in Rijssen met de 28 jaar jongere (!) Jenneken Scholman (ook genoemd Scholen). Dit kerkelijk huwelijk vond plaats op 8 juli 1787.
Jenneke werd geboren in Herike op 30 juli 1768 en overleed op 22 juni 1831 in Elsenerbroek.
Harmen overleed op 1812 in Elsenerbroek.
Uit hun huwelijk werden geboren:
1. Gerrit Jan 1791-1870  (mijn betovergrootvader) 
2. Jan              1797- 1885
3. Gerrit          1801-1878

BETOVERGROOTVADER Gerrit Jan Assink.
Gerrit Jan Assink, van beroep boerwerker, woonde te Elsen (Gem. Markelo). Hij werd geboren op 28 november 1791 en overleed op 17 augustus 1870. Hij trouwde met Willemina Nijland op 25 juli 1815 in Rijssen.
Uit dit huwelijk werden geboren: 
1. Hermina      1816-1849
2. Arend Jan   1819-1881
3. Jenneken    1823-1870
4. Gerrit Jan   1825-1886
5. Jan             1831-1871  (mijn overgrootvader)
6. Overleden  1840-1840
Willemina Assink-Nijland was van beroep boerwerkster en werd geboren op 18 december 1793 in Goor.
Zij overleed op 6 februari 1865 in Elsenerbroek.

OVERGROOTVADER  Jan Assink.
Jan werd in 1831 in Markelo geboren. Hij overleed op 40 jarige leeftijd (1871) te Ambt Delden.
Jan trouwde met Harmina de Groot op 1 maart 1867. Harmina werd geboren in 1844 in Goor en overleed op 30 jarige leeftijd (1874) te Ambt Delden.
Jan oefende eerst het beroep van klompenmaker uit, later bekleedde in het dagelijks leven het ambt van tolbeambte. Een mooi aandenken voor de familie is nog steeds een geelkoperen tabaksdoos van  Jan Assink, waarin met een spijker gegraveerd werd "J.Assink Elsenerbroek."
Jan en Harmina kregen twee kinderen:
1. Willemina Aleida 1867-??
2. Gerrit Jan         1871-1944.  (mijn grootvader)

OVERGROOTVADER Gerrit de Groot.
Gerrit de Groot was zoon van Harmanus de Groot en Fenneken (of Femmetje?) Boswinkel. Gerrit werd geboren in 1804 te Amsterdam en overleed in 1883 te Goor. Gerrit was getrouwd met Aaltje Hartgers die werd geboren in 1803 te Hellendoorn.
Zij overleed op 9 februari 1853 te Zwolle (in het Ziekenhuis?).
 

GROOTVADER Gerrit Jan Assink.
Ik zal maar beginnen iets te vertellen over mijn grootvader Gerrit Jan Assink.
Gerrit Jan werd op 16 augustus 1871 geboren in het Tolhuis van de gemeente Ambt Delden.
Dit, in de loop der jaren verbouwde Tolhuis, vindt u aan de Entersetraat in het Twentse plaatsje Goor. 
Zoals u hiervoor al las zijn beide ouders van Gerrit Jan begin jaren zeventig van de negentiende eeuw op nog jonge leeftijd overleden. Gerrit Jan en zijn vier jaar oudere zusje Harmina (Mientje) werden weeskinderen.
Opa de Groot uit Elsenerbroek werd tot voogd benoemd en droeg zorg voor de opvoeding van twee wezen.
Opa de Groot was van beroep wever en was afkomstig uit het verre Amsterdam.
Hij verhuisde jaren daarvoor met de trekschuit van Amsterdam naar Enter/Elsenerbroek. Kennelijk kon opa de Groot de zware taak van opvoeder wel aan.
Men beweert dat de eerste jaren van de opvoeding grote invloed hebben op het verdere leven van een kind. Deze eerste jaren waren kennelijk goede jaren want Gerrit Jan groeide in zijn verdere leven op als een beminnelijk mens.


Rechts op deze oude foto het geboortehuis van mijn grootvader.

Toch kreeg Gerrit Jan op twaalf jarige leeftijd een geweldige klap te verwerken: opa de Groot overleed op 79 jarige leeftijd.
Gerrit Jan werd door de voogdijraad ondergebracht bij een boer in de omgeving van Elsenerbroek.
Zijn zusje Mientje was zestien jaar en oud genoeg bevonden om voor zichzelf te gaan zorgen.
Zij vond in Arnhem een betrekking als dienstmeisje bij een welgestelde familie.

Gerrit Jan moet een vak leren.
Hij moest maar timmerman worden, een vak waar je altijd de kost mee kon verdienen.
En zo ging Gerrit Jan in de leer bij de plaatselijke timmerman.
Zes maal in de week vroeg op pad met z'n broodtrommeltje onder de arm.
's Avonds laat kwam hij dan weer thuis, doodmoe en een honger als een paard.
Er was echter een gerecht waar hij nooit naar verlangde...
Gerrit Jan verafschuwde erwtensoep. Hij vertelde later dat hij nog liever bij de varkens uit de trog at dan een bord erwtensoep te moeten eten…
Men kende hem in de buurtschap Elsenerbroek onder de naam Gerrit Jan de Groot. 

 

Gerrit Jan heeft verkering.
Gerrit Jan geraakte op vrijersvoeten, hij leerde Johanna Willemina Endeman kennen. Haar roepnaam was Anne. Anne werd geboren op 10 februari 1879 en groeide op in een gezin van acht kinderen. Haar vader Hendrik Jan Endeman was van beroep fabrieksarbeider en haar moeder Willemina Endeman-Stoevenbeld noemde zich koopvrouw. Anne was zeven jaar jonger dan Gerrit Jan die later wel eens de opmerking maakte dat zo'n jonge meid nog wel eens van pas zou komen als hijzelf zijn schoenveters niet meer kon strikken...
Gerrit Jan vond bij een der Goorse textielfabrieken werk als timmerman. Dit is waarschijnlijk de weverij van Jannink geweest. Ook deed hij aan sport want op deze afbeelding uit 1895 zien we Gerrit Jan als lid van de "Goorsche Wieler Club" staande in de achterste rij, vierde van links. Ze maakten wellicht deel uit van de Goorsche allergorische optocht tijdens het School en Volksfeest.

Getrouwd!
Op 13 maart 1897 traden Anne en Gerrit Jan in het huwelijk. Ze huurden een eenvoudig huisje aan de Possestraat in Goor. Er werden totaal zeven kinderen geboren, waarvan een tweeling die direct na de geboorte kwamen te overlijden.
 

Mijn oom en tantes.
Na 7 maanden werd mijn tante Mien (Harmina) geboren op 12 augustus 1897. Het blijkt dat ook in deze tijd de eerste zwangerschapsduur vaak heel wat korter uitviel dan de daarop volgende. Foei,foei,foei!
Na tante Mien kwam de doodgeboren tweeling (1898), vervolgens oom Jan (Hendrik Jan) op 13 maart 1900, tante Jo (Johanna Wilhelmina) op 6 oktober 1902, en mijn vader Willem (Gerrit Willem) op 26 februari 1905. Alle deze kinderen werden in Goor geboren, terwijl tante Gerrie (Harmina Gerdina) als nakomertje werd geboren in de nieuwe woonplaats Hengelo op 21 februari 1915.
 

Tante Mien Assink.
Tante Mien trouwde met Jan de Roo. Ze dreven in Hengelo een goed lopende slagerij aan de Nieuwstraat in Hengelo. Wat me als kind altijd heeft verbaasd is het verhaal dat tante Mien als meisje hardloopkampioene van Twente was, en dat ze nu zo dik geworden was. Ze woog volgens mij meer dan 120 kilo. Ik ging er toen van uit dat sportmensen hun leven lang een slank figuur bleven behouden. Oom Jan en tante Mien kregen drie kinderen, Gerrit, Annie, en Grietje (Gré).

Oom Jan Assink.
Oom Jan heb ik nauwelijks gekend. Hij trouwde op latere leeftijd met een Groningse weduwe die bij hotel Eulderink in Hengelo werkzaam was in de linnenkamer. Deze Tante Meta heeft, gelet op haar accent, haar geboortestreek nooit verloochend. Dit huwelijk bleef kinderloos en beiden zijn  overleden.
Willem had nauwelijks contact met z'n broer Jan.
Mijn grootvader schonk zijn beide zoons als huwelijkscadeau een grossierderij in aardappelen, groenten en fruit.
Mijn vader startte hiermee in 1932 in Enschede, en oom Jan in 1940 in Hengelo.

Tante Jo.
Een ieder die mijn tante Jo heeft gekend vond haar een schat van een vrouw. Uit haar huwelijk met Jan Vos werd een meisje geboren: mijn nicht Nanny, die nu in Koudum (Fr.) woont. Tante Jo en haar echtgenoot vonden op een afschuwelijke wijze de dood op vrijdag, 6 oktober 1944, evenals mijn opa die op de dag erna bij hevige bombardementen op het centrum en het station van Hengelo de dood vond. Nannie bleef wonderwel gespaard omdat ze koekjes was gaan bakken bij een tante in Tuindorp 't Lansink. Ik kom hier later nog op terug.

Tante Gerrie.
Zij werd door haar grote broers en zuster "Zus" genoemd en zo kenden wij haar ook.
Tante Zus genoot als enige van de kinderen Assink een schoolopleiding aan de hogere handelsschool in Enschede. Deze school kan gezien worden als de voorloper van de latere HBS.
Zij trouwde in 1942 met Jan Schekman uit Holten. Jan en Zus dreven na de tweede wereldoorlog in Deventer een garage. Uit hun huwelijk werden twee kinderen geboren: neef Jan en nicht Anneke. Tante Zus was de enige Assink die nog veel wist te vertellen over de vroegere jaren van het gezin. Ik heb hier dankbaar gebruik van gemaakt!
Ze overleed in 2011 op 96 jarige leeftijd.

 

De eerste huwelijksjaren van Gerrit Jan en Anne.
Zoals al verteld, was opa Gerrit Jan werkzaam als timmerman bij textielfabriek Jannink in Goor. Dit hield in dat men werkweken had van tenminste vijfenvijftig uur. Toch bleken de inkomsten hieruit niet voldoende want oma Anne besloot dat er wat bijverdiend moest worden. Er werd gekozen voor het venten met bokking. Gerrit Jan ging met deze aan wilgentakjes geregen gerookte haring de deuren langs. Dit was honderd jaar geleden een aardige bijverdienste.

Oma Anne zat ook niet stil. Zij kocht 's zomers bij een boerderij aan de rand van Goor pruimen die ze dan huis aan huis weer verkocht. Oma was een echte zakenvrouw. Ze vertelde tante Zus eens dat ze niet als haar zusters in de fabriek wilde werken om aan de kost te komen. Ze wilde de handel in.
Waarschijnlijk werd ze hierbij geïnspireerd door haar moeder, die zich zoals ik al eerder schreef, koopvrouw noemde.

Oma had bijvoorbeeld de gewoonte de wekelijkse boodschappen op donderdag in te slaan, en niet op vrijdag zoals het "gewone" volk dit placht te doen. Vrijdags ontvingen de fabrieksarbeiders hun "loontoetn" (het loonzakje) en moesten dan bij de plaatselijke kruidenier om de wekelijkse boodschappen in huis te krijgen, vaak erg lang op hun beurt wachten.
Anne had hier geen behoefte aan en vond dat ze haar tijd wel beter kon besteden.

Zij kon zich dit permitteren omdat zij dankzij haar zuinigheid, aan het einde van de week nooit krap bij kas zat. En als je dan dagelijks zo met je handeltje van deur tot deur gaat, dan kom je er op den duur achter welke dagelijkse behoeften de mensen hebben.
Zo ontdekte ze dat er in Goor behoefte bestond aan een groentewinkel. In die jaren nam in Twente de industrialisatie een hoge vlucht. Dit hield in dat een voornamelijk agrarische instelling van de bevolking (wie had er toen geen eigen groente- of moestuin?), veranderde in een industriële.
Men verdiende in 't Stoom (fabriek) immers veel meer dan met het paar bunder grond en een paar koeien.
Echter, de zelfvoorziening van de gezinnen geraakte hiermede in het slop.
Er was eenvoudigweg geen tijd meer om het land te bewerken als je werkdagen had van tien uur of meer. En dit was nou juist de reden dat er ook behoefte kwam aan dit soort detailhandel in dorpsgemeenschappen zoals Goor.
Opa en oma hadden het dus bij het rechte eind. Zo rond de eeuwwisseling vertrokken ze uit de Possestraat. In dit achterstraatje voelde oma zich toch al niet thuis.

Ze kochten een pand met daarnaast gelegen pakhuis aan de Grotestraat in Goor, waar de voorkamer als winkel werd ingericht. (Nu is dit Grotestraat 58, het middelste pand op de foto  en wordt thans bewoond door kapper Bonthuis). De groentehandel kwam op gang...
 



G.J. ASSINK, GROOTHANDEL IN GROENTE & FRUIT.
Begin vorige eeuw werd groente en fruit werd op de boerenmarkt in Zutphen ingekocht.
Anne ging hiervoor periodiek met de trein op en neer. Ze had een treinabonnement. Hier verkochten de boeren uit de Hollandse Hoven, - het gebied bij Zutphen aan de andere kant van de IJssel- hun waren.

Met paard en wagen werd de handel dan door Gerrit Jan opgehaald. Een hele reis in die dagen.
Opa bezocht ook de industriestad Hengelo om bij collega groentehandelaren de restanten groente en fruit uit te venten die ze in Goor overhielden.
Zo ontstond de groothandel in groente en fruit.
Hierboven ziet u een foto van het pakhuis aan de Grootestraat in Goor uit het jaar 1910 met Gerrit Jan Assink staande in het midden, Anne met haar moeder Willemina Endeman-Stoevenbeld en mijn vader Willem als jochie van vijf jaar met voor hem zijn grote broer Jan. De twee jongens op de paarden zijn mij onbekend.
Zij behoorden waarschijnlijk tot het toenmalige personeel.

 


De groentehandel floreerde!
Ze  hadden al gauw door dat Hengelo een beter afzetgebied was dan het kleine Goor. Daarom werd gedacht aan verhuizen van het kleine dorp Goor naar het grotere Hengelo.  En dat gebeurde dan ook op 28 mei 1913. De Assink's betrokken op deze datum hun nieuwe onderkomen aan de Molenstraat 64 in Hengelo.
Als voorbeeld voor de aannemer diende
een winkel/woonhuis aan de markt in Zutphen. Nu is daarin een schoenenzaak gevestigd.
Wat waren Gerrit Jan en Anne trots toen ze hun nieuwe huis betrokken!
 Rechts een foto van de praalwagen van de firma G.J. Assink die meereed in een allegorische optocht in Hengelo (O) in 1917.
vlnr ziet u: Jan de Roo, Mien Assink, Jo Assink,vriendin van Jo, Anne Assink-Endeman,de
kleine Zus Assink, Gerrit Jan Assink , Jan Assink en mijn vader Willem Assink.
En,  de taalfout op het reclamebord zal opa de schilder wel hebben vergeven na een toegezegde korting... 



Nog steeds werd de Zutphense boerenmarkt bezocht waar nu ook de zuidvruchten werden ingekocht bij de groothandel van Iliohan.
Deze Iliohan bezocht dan iedere zondag de familie Assink (waarschijnlijk om af te rekenen), en at dan gelijk met de pot mee.
Tante Zus herinnert zich deze "oom" Iliohan als een aardige lange magere man.
De zaken gingen goed. Het bleek dat ze in het centrum van Hengelo een pracht van een locatie hadden uitgezocht. Hier kwamen de mensen naar toe die bereid waren wat dieper in de geldbuidel te tasten. Opa liet de zaak in dit zelfde jaar 1913 bij de Kamer van Koophandel inschrijven onder nummer 01340 als Groothandel in Aardappelen.
Overigens vermoed ik dat het in het "groot" handel drijven ook wel wat te maken heeft gehad met de wijze van inkopen die oma er op nahield. Oma was nl. niet bang om teveel te kopen. Als je het in eigen winkel niet kwijt kon, dan verkocht je het toch aan de collega groentehandelaren? En als die het niet wilden afnemen, dan kon je het altijd nog op de markt kwijt...

 


Veiling VVOB te Elst.
Zo rond het jaar 1920 bezocht mijn oma Anne Assink als eerste koopvrouw de fruitveiling V.V.O.B. in de Betuwe. V.V.O.B. stond voor "Veiling Vereniging Over-Betuwe" maar de kooplieden maakten ervan: "Vink Verlangt Onze Beurs".
De heer Vink was de eerste directeur van deze veiling. Klik op deze link voor de geschiedenis van deze veiling.

Oma ging dus in haar eentje naar de veiling. Zonder dat mannen haar ondersteunden. Nou, nou, dat was me wat. Een vrouw die mannenwerk wilde verrichten. Wat zal ze de eerste tijd een commentaar over zich heen gekregen hebben van de "heren" kooplieden, als ze een partij fruit naar hun mening te duur inzette.
De naam waaronder gekocht werd was ANNA. Deze naam werd door de veilingknechten met krijt op de door oma gekochte kavels fruit geschreven.
Ik geloof echter dat die periode van commentaar krijgen niet erg lang heeft geduurd, want oma had het zogezegd in de vingers.
Ze was, zoals al eerder opgemerkt, een echte koopvrouw.
Het reizen naar de veiling ging per trein. Hiervoor moest oma voor dag en dauw opstaan om de eerste trein te halen. Soms, als ze zich wat verlaat had, werd er keurig door de stationschef op haar gewacht voor hij de trein liet vertrekken. Ze konden haar immers zien aankomen van de overkant van de Stationsstraat.
In het hoogseizoen overnachtte ze in het naast de veiling gelegen 'Hotel V.V.O.B'. Dit was noodzakelijk omdat de eerste partijen fruit 's morgens om 07:00uur al geveild werden.
Misschien van interesse vermeld ik hier de prijsnoteringen van het geveilde fruit bij de V.V.O.B. op 29 juli 1940.
NB: het is mij onbekend tot welk fruitsoort, genoemd in het lijstje, accuianen of acculanen(?) behoorde...

De groente werd door een commissionair op de veiling van Zwolle gekocht, terwijl de zuidvruchten in Rotterdam werden gekocht zowel via commissionairs als door haar zelf. Hierboven een kopie van haar toegangsbewijs voor de citrusvruchten veiling in Rotterdam, waarbij zo te zien nooit rekening was gehouden met vrouwelijk bezoek. Wat ik me nu afvraag is, hoe de groente en fruit de lange hobbelige reis in de treinwagons overleefden. Ook het vervoer over slechte wegen, gecombineerd met een gebrekkige manier van verpakken bevorderden toen niet zozeer de houdbaarheid. Het in zeer grote kisten of manden los verpakte fruit was immers zeer gevoelig voor beschadiging tijdens de lange reis naar Twente.
Maar goed, het ging toen kennelijk uitsluitend om de kwantiteit, en niet zozeer om de kwaliteit.


 

Gerrit Willem Assink.
Zoals ik schreef werd mijn vader, Willem Assink geboren op 26 februari 1905 in Goor.
Ik herinner me dat hij me eens vertelde dat hij als klein ventje in Goor soms samen met zijn vriendjes wel eens ging vissen in de Molenbeek bij Diepenheim. Deze beek stroomt nu tegenover de Eterniet fabriek in het (toen nog niet bestaande) Twentekanaal.
Het Twentekanaal kwam overigens pas na zes jaar graven in 1936 gereed tot aan Enschede.

Op acht jarige leeftijd verhuisde hij met zijn broer Jan en zusters Mien en Jo naar de Molenstraat in Hengelo. Een hele belevenis voor de kleine Willem. Hij moest naar die vreemde school met al die stadskinderen en een andere meester.
Willem zal het zeker de eerste tijd moeilijk hebben gehad op school, daar in Hengelo.
Hij begon van school weg te blijven. Er was immers op straat veel meer te beleven. Voetballen was z'n lust en z'n leven. Bovendien hadden z'n vader en moeder toch niets in de gaten. Die waren veel te druk met de zaak.
Op z'n negende jaar begon hij sigaretten te roken, hetgeen voor hem een levenslange verslaving zou worden.
De opvoeding van de kinderen werd overgelaten aan het dienstmeisje die voor het huishoudelijk werk waren aangetrokken.
Geregeld kwam de veldwachter aan de Molenstraat waarschuwen:
"den wittn van oe is wear van school weg ebleamn, hee is wear ant voetbaln op stroat".
Dan kreeg Willem weer straf.... van de dienstmeid.
Ik stel me zo voor dat deze straffen nooit de strengste zijn geweest, want zo'n dienstmeisje moest natuurlijk ook op haar tellen passen anders vloog ze de laan uit.

De schooltijd verliep voor Willem dus moeizaam.
Ik heb overigens altijd bewondering gehad voor het schoonschrift dat de kinderen vroeger werd bijgebracht op school. Willem schreef Assink b.v. met zo'n mooie dubbele Duitse ringel S.

Bovenstaande foto is gemaakt van de kinderen Assink omstreeks 1920 in de tuin van hun winkel-woonhuis aan de Molenstraat
in Hengelo. Vlnr. staan Mien, Jan, Willem en Jo.

Op de voorgrond staat hun kleine zusje Gerrie, ook Zus genoemd.

 

De jaren 1918 tot 1922.
Na zes jaar lagere school moest Willem net als z'n broer Jan werkzaamheden verrichten in de zaak van z'n ouders.
Over deze periode uit het leven van Willem is mij helaas weinig bekend.
Hij was geen grote prater.
Zeker is dat hij flink moest aanpakken en hele lange dagen maakte.
De zaken liepen inmiddels voortreffelijk en inmiddels werd de huishouding geheel aan een paar dienstmeisjes overgelaten.
Het spijt me overigens geweldig dat ik ook nooit vragen heb gesteld over deze periode van zijn leven.



Willem's vrije tijdsbesteding.
Wel weet ik dat hij, zeg maar vanaf z'n zestiende jaar, deel uit maakte van een vriendenclub. Enige namen die ik mijn vader wel eens hoorde noemen zijn de gebroeders Weijschedé, Jan Hulshoff, Jaap Hulshoff die late
r met een Duits dienstmeisje van de Assink's trouwde, Johan Weustink, Jan Koster en Bernard Hunia. De laatstgenoemde werd later bloemist.  Rechts een kopie van een vergeelde foto uit 1921 waarop Willem samen met zijn vrienden Jan en Jaap Hulshof, Jan Koster, de broers Weijschede en Johan Weustink te zien zijn bij een kampeertent op de heide, ergens in de buurt van Hengelo.

De interesse van Willem ging in zijn jonge jaren ook uit naar de radiotechniek. Heel wat uurtjes werden hieraan met zijn vrienden besteed om uit een krakende en gillende zelfgebouwde radio muziek te toveren. In de twintiger jaren van de vorige eeuw stond de radio nog in de kinderschoenen. Als je een beetje handig was, bouwde je in die tijd zelf je radio. Dit was een stuk goedkoper dan een kant en klaar exemplaar te kopen in de winkel.
 

De familie Evers-Camstra.
Ik vernam van Grada Camstra uit Haaksbergen, een nicht van mijn moeder, dat de familie Camstra een eeuwenoud geslacht is.
Zij kwam in het bezit van de familie stamboom. Het blijkt dat onze tak van dit geslacht traceerbaar is tot 1623. Bijna vier eeuwen geleden dus toen de tachtigjarige oorlog nog woedde! Ook blijkt dat er ooit een adellijke tak Camstra is geweest, die ophield te bestaan met de dood van de ongehuwde Hans Willem Camstra in 1761.
Links ziet u het familiewapen van het geslacht Camstra. Het betreft drie kenmerken: de wolkam, een ster en een rad. De ster zou staan voor Maria-verering, terwijl de wolkam en het rad staan voor werktuigen van de wolkammers. Onze verre familie zou dus ontstaan zijn uit het ambacht der wolkammers. Moeder had drie jongere broers Bertus, Ab, Henny en een zusje Ada. Op de foto rechts ziet u mijn opa en oma Evers met hun hele kinderschaar. Het kleine kereltje, moeders broertje Henny zou echter al op vier jarige leeftijd overlijden aan de gevolgen van difterie. Zijn overlijden heeft groot verdriet gebracht binnen het gezin. Kort nadat deze foto is gemaakt is Henny overleden. Lange tijd verkeerde de familie in rouw. Moeder heeft hier nog vaak met mij over gesproken.

Carolina Hendrika Evers.
Mijn moeder, Carolina Hendrika Evers, Lien genaamd, werd geboren op 17 januari 1906. Ze was de eerstgeborene van het echtpaar Albertus Johannes Evers (*31-10-1879) en Jeltje Camstra(*10-10-1883). Lien doorliep met goed gevolg de lagere school en de zevende en achtste klas van hoofdmeester C.Hueting.
Deze school "C", gebouwd in 1900, was gelegen aan de Molenstraat in Enschede achter het toenmalige Oude en Mannen - en Vrouwenhuis.

 







Verkeringstijd.
Lien leerde Willem Assink kennen op zestienjarige leeftijd. In het begin ontmoetten ze elkaar in het geheim.
Zij was immers nog veel te jong voor verkering vond haar moeder.
Maar daar was Lien het niet mee eens want iedere keer als ze een afspraakje met Willem had, ging ze met haar kleine zusje Ada wandelen. Zo ontmoette ze haar Willem dan toch.
De kleine Ada vond het wel best want als Willem kwam kreeg ze steevast als zoethoudertje een lekkere reep chocolade...







 


Rijbewijs.

Willem was inmiddels achttien jaar geworden en behaalde z'n rijbewijs door de examinator te tonen dat hij zonder brokken te maken een rondje kon rijden. De examinator volgde deze kunsten dan vanaf een afstand, waarschijnlijk om niet onnodig zijn eigen leven in gevaar te brengen...
 



















Opa Albert Evers.

Ik heb Opa Albert Evers nauwelijks gekend.
Hij overleed toen ik drie jaar was.
Opa had een kleermakerij waar hij zich bezighield met het vervaardigen van herenkleding.
Het aanbod confectiekleding zoals we dat nu kennen had je toen nog niet.
In die jaren lieten de heren zich door de kleermaker een kostuum aanmeten.
In drukke tijden had opa drie kleermakers in dienst.

Opa Albert was enthousiast lid van  toneelgezelschap OVAL in Enschede.

Op de foto rechts ziet u opa (in het midden) optredend als Tomas in de klucht "de bruiloft van Kloris en Roosje" die ter gelegenheid van huwelijksfeest van de Enschedese textielfabrikant Nico ter Kuile op 24 juli 1926 opgevoerd werd in het Enschedese Volkspark(?).
Een fotoalbum met foto's die gemaakt werden op dit feest (inclusief bedankbriefje van Harry ter Kuile) is in mijn bezit gekomen. Opa Albertus Johannes Evers overleed op 66 jarige leeftijd aan de gevolgen van keelkanker op 13 juni 1946.
 

Vaste verkering.
Zo langzamerhand werd het tussen Willem en Lien een wat serieuzere aangelegenheid. Ze ontmoetten elkaar in de weekends niet meer in het geniep.

's Zomers, als het weer het toeliet, werden er samen met vrienden fietstochten gemaakt in de omgeving van Enschede en Hengelo.
Moeder vertelde me dat ze dan veel schik hadden. Bijvoorbeeld, als ze van Hengelo naar Haaksbergen fietsten, vroeg moeder aan mensen die ze onderweg tegenkwamen, of dit de juiste weg naar Oldenzaal was. Dan kregen ze hele verhalen te horen van "Nou, dan bint jullie hier wal heemoal verkeert. Woar komt jullie dan vandan, en hoe he'j dat toch had!"
Moeder hield zich dan van de domme en als ze de weg dan naar Haaksbergen vervolgden, lagen ze krom van het lachen over het stuur om de reactie die ze kreeg op haar vraag.

Ze vertelde me dat vader op doordeweekse dagen 's avonds laat soms nog op de fiets vanuit Hengelo naar Enschede kwam om nog even een glimp van z'n Lientje te kunnen opvangen.
En het viel dan voor de drommel niet mee om de volgende morgen bij het krieken van de dag je bed uit te moeten, als het de avond ervoor laat geworden was.

Willem's  werkzaamheden bestonden hoofdzakelijk uit het lossen van de treinwagons. Dit lossen gebeurde uitsluitend met de hand. Heftrucks kende men toen nog niet! Het vervoer van de aardappelen, groenten en fruit van het stationsemplacement naar het pakhuis gebeurde dan met paard en wagen. Zwaar werk dus, dat hij eigenlijk z'n leven lang is blijven verrichten, zonder enige vorm van beklag. Hij wist toch niet anders...

Op winterse zondagen kwam Lien met de trein naar Hengelo en at daar dan met de pot mee.
Die "pot" viel bij de Assinks een stuk luxer uit dan thuis in Enschede. Moeder vertelde me dat ze in Hengelo op een zondagsochtend iets heel bijzonders voorgezet kreeg: dadels met Mon Chou!
Tjonge, wat een luxe was dat...
 




Fa. G.J. Assink & Zonen.
Groothandel  in Groenten & Fruit.

Rechts ziet u een kopie van een verkreukelde foto van Gerrit Jan Assink samen met zijn schimmel. Deze foto droeg mijn vader Willem Assink altijd bij zich in z'n portefeuille. De foto had kennelijk emotionele waarde voor hem. Hij vertelde me eens dat dit paard de lieveling was van zijn vader en dat het de kunst verstond van traplopen. In het pakhuis was een trap die naar een grote zolder leidde. Als het paard dan beneden stond, en je riep hem vanaf de zolder, dan kwam hij de trap op naar je toe. Ik denk overigens dat het wel problemen gegeven zal hebben als hij weer naar beneden moest...

Maar ik dwaal af. Ik vertelde u over het zware werk dat verricht werd in die tijd.
Maar Willem en z'n oudere broer Jan hadden vanwege het feit dat ze bij hun vader in dienst waren, ook wel een bepaalde vorm van vrijheid.
En, om niet te vergeten, hadden de mensen toen veel meer tijd voor elkaar en voor het werk dat verricht werd.
Het leven was veel gemoedelijker in die tijd.
                                                                         
Wat dat betreft zijn de tijden er nu met al ons gehaast en gejakker niet beter op geworden.




Voor de rieten manden waarin het zachte fruit werd verpakt staan vlnr. Jan Assink, Gerrit Jan Assink sr., de nog kleine Gerrit de Roo, vervolgens het personeel Vennink, Jansen, een Duitse jongeman Paul Pascholt, Gijs Bettman en als laatste inde rij Willem Bettman. Waarschijnlijk zijn deze laatsten de grondleggers van het in Hengelo bekende transportbedrijf Bettman.




Bananenstokerij
.
De zaken liepen goed aan de Molenstraat.
Op 16 juni1922 vond de opening plaats van een nieuw gebouwd pakhuis achter de Molenstraat 64 met als primeur voor Twente een bananenstokerij.
Met een advertentie in het Twentsch Dagblad Tubantia en Enschedese Courant werd van de opening van de bananenstokerij trots melding gemaakt.
En belangstellenden mochten een kijkje komen nemen.   Hiernaast de uitnodiging in die krant.







 




Klik
op de afbeelding links voor een aantal filmopnamen, toenmalige Commercials uit het jaar1923 van de Hengelose Middenstand.
Het filmpje duurt ongeveer een kwartier en begint met een opname bij de slagerij van mijn oom en tante De Roo. Een eindje verder ziet u een opname bij de groente- en fruitwinkel van mijn grootouders. Ook komt opa's trots, de Hansa Lloyd vrachtwagen in beeld die bestuurd werd door oom Jan Assink.

 



De Waarbeek.

Een geliefd uitje op zonnige zondagmiddagen voor de toenmalige teenagers was een trip naar de uitspanning "de Waarbeek",
gelegen aan het Twentekanaal, nabij de sluis in Hengelo. Daar kon dan gedanst worden op "live muziek". Dit was ook de tijd die nu wel "de roaring twenties" genoemd wordt. Misschien kun je zeggen dat deze periode wel wat weg had van de "flower power tijd", die ikzelf meemaakte in het begin van de beeld geeft van deze tijd, moet je eens kijken naar Cabaret met Liza Minelli in de hoofdrol. Populaire dansen in die tijd waren de shimmy en de charleston. Op de foto hieronder zien we Willem en Lien op de voorgrond. Zo te zien was dit voor de dames de tijd van de pothoedjes. Mijn moeder wist zich zo te zien hiervan te onderscheiden door het dragen van een grote rieten hoed. Even nog een beeld schetsen van "de Waarbeek". Je kon er roeibootjes en later zelfs motorbootjes huren, zwemmen, en voor de kinderen was er een grote speeltuin, waar ze zich uren konden vermaken. Zwemmen kun je er weliswaar niet meer, maar ook nu nog is deze uitspanning een drukbezochte uitgaansgelegenheid!
 

Geldontwaarding in Duitsland.
Willem en Lien maakten in die twintiger jaren geregeld een uitstapje over de grens. Duitsland was nagenoeg bankroet omdat de overwinnaars uit de eerste wereldoorlog het land verplicht hadden tot enorme herstelbetalingen. Dit had een gigantische geldontwaarding tot gevolg.
Het was zo erg, dat de Duitsers naar de bakker gingen met een boodschappentas vol met bankbiljetten om een brood te kopen.
Men mocht in die tijd ook maar een gering bedrag aan Nederlandse guldens importeren in Duitsland, maar daar werd natuurlijk enorm de hand mee gelicht. Men smokkelde ons Nederlandse geld bijvoorbeeld keurig opgerold in het frame van de fiets de grens over, en kon zich daar dan voor een niet al te groot bedrag een bepaalde vorm van luxe permitteren, die voor de Duitsers zelf niet was weggelegd. De Enschedese jeugd ging dan ook geregeld uit dansen en lekker dineren in Gronau omdat dat zo lekker goedkoop was in vergelijk met ons eigen land. De Duitsers waren in die tijd gek op harde valuta>
 

Willem op dansles.
Lien vond dat Willem ook maar eens op dansles moest gaan, want als je als jongeman niet kon dansen, dan was je niet modern. Dat woordje modern was in die tijd een veel gebruikte uitdrukking. Willem had er overigens een hekel aan dansles. Hij voelde zich in een grote mensenmassa niet op z'n gemak. Altijd als hij ergens naar binnen ging waar een aantal mensen aanwezig waren was het voor hem een noodzaak eerst even een sigaretje op te steken. Noemen de hedendaagse geleerden dit nu sociale fobie?
Moeder vertelde me dat vader op 't laatst, om van het gezeur af te zijn, besloot privé dansles te nemen bij een van de Hengelose dansscholen. Een Foxie Foxtrot is hij nooit geworden...
 


Stationsstraat 11, Hengelo.

Zo rond 1930 maakte tante Jo Assink haar trouwplannen met Jan Vos bekend bij haar ouders. Besloten werd dat tante Jo dan de winkel aan de Molenstraat zou krijgen en dat er een nieuw huis gebouwd zou worden aan de Stationsstraat, tegenover het station.
Rechts een krantenknipsel met het resultaat van de aanbesteding voor de bouw van dit woonhuis. Eind 1932 kwam het huis gereed en de verhuizing vanuit de Molenstraat 64 vond plaats begin januari 1933.
Tante Jo Assink had zich bij de bouw bezig gehouden met de binnenhuisarchitectuur. Zij had volgens zeggen een goede smaak en veel gevoel voor esthetica. Zo was bijvoorbeeld de grote badkamer helemaal betegeld met zachtblauwe tegels, en er was zelfs een alarmkoord waarmee je noodgedwongen een alarmbel kon laten rinkelen. Iets bijzonders in die jaren.
Er was in die twintiger jaren kennelijk zoveel geld verdiend dat men zich deze extra luxe kon veroorloven.

Een keer heeft Gerrit Jan zijn Anne de schrik op het lijf gejaagd door aan het alarmkoord te trekken. Anne rende de trap op en in de badkamer zag ze Gerrit Jan op z'n buik, met het hoofd onder water, in het bad liggen. Wat was ze woedend op hem toen bleek dat het loos alarm was. Het bleek een van Gerrit Jan's practical jokes te zijn die absoluut verkeerd viel bij oma Anne. Hij moest daarom plechtig beloven nooit van z'n leven weer zoiets onzinnigs uit te halen.

Oma en opa Assink hadden het in die tijd zo druk met de zaak dat er naast de dienstmeisjes ook een huisknecht werd aangesteld.
De naam van deze 'butler' was Willem. Hij zwaaide de scepter over de dienstmeisjes. Op deze foto staat Gerrit Jan Assink voor z'n nieuwe woonhuis. Een anekdote die tante Zus mij vertelde is dat opa op een zaterdagmiddag samen met een buurman op het hekje voor het huis gezeten, de benen van al het vrouwelijk schoon dat passeerde, waardeerden door ze een cijfer te geven van een tot en met tien. Opa was toen de zestig al gepasseerd! Ze zeggen wel eens: hoe ouder, hoe gekker!

Nep borreltjes.
Iedere zondagmorgen werd er door opa bij Hotel Deters aan de Beursstraat een kaartje gelegd en een borreltje gedronken.
Het kwam nog wel eens voor dat er tijdens deze gelegenheden een borreltje teveel werd genuttigd wat tot gevolg had dat opa na het middageten de hele zondagmiddag zat te slapen, en dat stond oma niet aan. Er moest dus een compromis worden gesloten.
Met de uitbater van dit gerenommeerde Hengelose hotel werd de afspraak gemaakt dat hij twee borreltjes dronk en hierna borrelglaasjes met kraanwater werden geserveerd. Hierin konden zowel opa, oma als de uitbater zich vinden omdat de laatste voor deze glaasjes water ook keurig vijfendertig cent in rekening bracht.
 


De Nederlandsche Spoorwegen.

Ook vertelde ik dat oma Anne regelmatig per trein de fruitveiling in Elst bezocht. Oma was kennelijk een zo geregelde klant van de Spoorweg Maatschappij dat, indien ze zich 's morgens vroeg wat verlaat had, de conducteur keurig op haar wachtte en dan pas de trein liet vertrekken. Ook interessant is dat ze 's zomers geregeld met de trein uit Elst terugkwam met de treincoupé volgepakt met primeurs, zoals de eerste aardbeien, frambozen, perziken en al wat dies meer zij. Hier kon je namelijk wat extra's aan verdienen! Op het station van Elst zal het voor de terugreis naar Hengelo wel ongeveer zo gegaan zijn:
" …kunt u nog even wachten conducteur, de laatste mandjes aardbeien komen eraan….. "
Zou je tegenwoordig eens moeten proberen in de INTERCITY...

Als Anne’s trein dan arriveerde in het Station Hengelo, dan kwam het regelmatig voor dat opa haar afhaalde met de vraag: wat en hoeveel heb je vandaag gekocht?
Als hij dan te horen kreeg wat ze allemaal gekocht had, dan keerde hij hevig mopperend met haar naar huis terug.
Hij vond dat ze dan weer veel te veel gekocht had. "….doar komt wiej nooit van of, woar mo'w 't in godsnaam loaten! Ie liekt ja wa mesjogge…" mopperde hij dan.
Ik vertelde het al eerder: oma was niet bang om grote partijen fruit te kopen.
De foto rechts geeft prachtig weer dat primeurs een belangrijke rol speelden in de groente- en fruithandel.
De klanten gingen er zelfs voor op het portret!

 



Hoogtevrees.

Ook een prachtig verhaal is dat van de slecht trekkende schoorsteen aan de stationsstraat. Het huis aan de stationsstraat had een grote uitbouw aan de achterzijde waarin zich onder andere de bijkeuken, de kookkeuken maar ook een pronkkeuken bevonden. Op een dag bleek dat het fornuis, dat zich in de kookkeuken bevond, nogal rookte. Een paar kraaien had niet zo lang geleden in de schoorsteen geprobeerd hadden hun nest te bouwen en dit veroorzaakte waarschijnlijk de verstopping. Hier moest dus wat aan gedaan worden.
Opa liet zich op het keukendak tegen de ongeveer drie meter hoge schoorsteen een ladder neerzetten, klom er op, en met een lange lat en maakte hij de schoorsteen weer netjes schoon. Het karweitje was in een ommezien geklaard en opa keek vol tevredenheid naar beneden. En dat had hij nou niet moeten doen want toen bleek dat hij hoogtevrees had. En niet zo zuinig.
Hij durfde niet meer naar beneden te komen en klampte zich angstig vast aan de bovenkant van de schoorsteen. En schreeuwde dat ze hem moesten komen halen. Oom Jan en mijn vader moesten hem toen met z'n beiden staande boven op twee ijlings aangesleepte ladders heel voorzichtig naar beneden helpen waarmee aan het avontuur voor opa een einde kwam.

Het paradoxale aan deze geschiedenis is, dat hij later samen met oma en een collega grossier De Graaff  uit Deventer(?) een uitstapje maakten naar het vliegveld Waalhaven bij Rotterdam, alwaar een rondvlucht werd gemaakt in een echte vliegmachine.

Op de foto links staan Gerrit Jan en Anne nog veilig op de grond. Het "vliegbewijs" van deze rondvlucht is rechts afgebeeld, en ik denk dat opa dit vol trots aan de toenmalige toeschouwers van het nog niet vergeten "schoorsteenavontuur" heeft getoond!


 

Anekdote.
Zelf vertelde mij in de zestiger jaren ene heer Aalders, fruithandelaar en commissionair uit het Gelderse, dat ene Anne Assink hem in de jaren dertig eens had gered van een grote catastrofe door een partij aardbeien van hem over te nemen die hij abusievelijk gekocht had en waarvan hij het aantal colli verkeerd had ingeschat. Hij vroeg me of zij ook nog familie van me geweest was. Ik voelde toen een gevoel van trots en ook van verdriet omdat ik haar nooit gekend had. Dit is misschien wel een reden dat ik met deze kroniek bezig

Grijze haren.
Gerrit Jan schonk kennelijk veel aandacht aan zijn uiterlijk. Zo vertelde mijn moeder dat hij zijn langzamerhand grijs wordende haar verfde met thee. En laat nou niemand meer beweren dat mannen niet ijdel zijn…

Delicatessen.
Tante Jo had van haar groentewinkel inmiddels een echte delicatessen winkel gemaakt en was uiteraard een goede klant van opa als het om de primeurs ging. Het ging iedereen goed daar aan de stationsstraat in Hengelo in de dertiger jaren. Ook Jan Vos profiteerde van deze overvloed. Hij was bij opa in dienst getreden als boekhouder en dit heeft ongetwijfeld van hem in de jaren die volgden een gefortuneerd man gemaakt.

Van Huifkar naar Studebaker.
Het vervoer met paard en wagen werd opgevolgd door vrachtauto's. Enige merken die ik nog weet te noemen, uit verhalen van oom Jan Schekman en mijn vader zijn: HANSA LLOYD die nog uitgerust was met kettingaandrijving en verder de merken REO, WHITE (model WA20) en een DODGE. Van enige vrachtwagens zijn foto's bewaard gebleven, waarvan u hier de digitale kopieën kon zien. De Dodge truck werd door oom Jan Schekman van een nieuwe (sloop)-motor voorzien en heeft tot in 1942 nog gelopen. Hierna ging het niet meer vanwege het gebrek aan brandstof. Het (civiele) gemotoriseerde vervoer lag toen nagenoeg stil.
De motor van de Dodge werd gedemonteerd en ergens achter in het pakhuis verstopt, waarvandaan hij nadien voor veel geld door Jan Assink werd verkocht.

Rechtsonder een foto van de White truck met een van de dienstmeisjes, geflankeerd door de heren Jansen en Venning. Het kereltje op de laadbak is mijn neef Gerrit de Roo.

 

 

 

Rond 1930 kocht Gerrit Jan deze Graham Paige  die in 1935
werd ingeruild voor de prachtige Studebaker, type 
‘President Sedan’ bouwjaar 1935.



 

 

Studebaker President sedan

 

Hierboven de Studebaker "President Sedan" met afgebeeld vlnr Lien Assink-Evers,
Anne Assink-Endeman, Gerrit Jan Assink, Mientje Koenderink-Assink

en mijn vader Willem Assink.

 

 


 

Lien wil trouwen.
Markt EnschedeWe gaan weer even terug naar het jaar 1927. Willem en Lien kenden elkaar nu vijf jaar en beiden uitten bij opa en oma Assink de wens om te mogen trouwen, want vijf jaar geduldig op elkaar wachten was per slot van rekening ook niet mis! Bovendien had Lien het dreigement geuit dat ze   het uit zou maken als ze nog langer zouden moeten wachten.

Ze stuitten echter met hun verzoek op flink wat weerstand bij opa en oma Assink.
Die vonden dat ze eenvoudigweg nog niet aan de beurt waren. Eerst waren Jo en Jan aan de beurt, die waren immers ouder. Zo ging dat nou eenmaal.
Maar na lang aanhouden van Lien, die dan ook telkens dreigde de verkering te verbreken, en ook aanvoerde als argument dat Jo en Jan de kans voorbij hadden laten gaan gingen Gerrit Jan en Anne door de knieën. Het verlovingsfeest vond plaats op 5 juni 1927 in huize Evers.
De trouwdatum van Willem en Lien werd bepaald op 1 september 1931.


Hieronder ziet u het portret van het gelukkige paar met alle genodigden tussen de tuindeuren aan de Ledeboerstraat 64 in Enschede.




 


Willem en Lien getrouwd.
Willem zal op deze dag van de zenuwen het ene sigaretje na de andere hebben gerookt, en pas nadat Gerrit Jan en Anne alle bestellingen de deur uit hadden, vertrokken de Assinks vanuit de Molenstraat 64 naar Enschede.
Hierna vertrok de bruidsstoet vanuit huize Evers aan de Ledeboerstraat 64 op deze prachtige nazomerdag in koetsjes van de Stalhouderij Beunk naar het toenmalige stadhuis aan de Langestraat in Enschede alwaar de trouwplechtigheid zou worden voltrokken.

Op deze foto ziet u het gelukkige paar met links en rechts de bruidsmeisjes Ada Evers en Zus Assink.

Mijn moeder vertelde me dikwijls dat deze trouwerij een zeer chique vertoning was in de stad Enschede.
Klik hier voor een kopie van het bruiloftslied, dat gezongen werd op de wijs van "einmal am Rhein".
Het bruiloftsmaal vond plaats in Hotel-restaurant "de Vluchte" aan de Oldenzaalsestraat in Enschede.
Als u geïnteresseerd bent wat er zo'n driekwart eeuw geleden bij het huwelijksfeest van Willem en Lien op tafel kwam als bruiloftsmaal, klik hier.

Overigens, tante Jo trouwde pas met haar Jan Vos in 1933, en op oom Jan werd maar helemaal niet meer gewacht, want die hield er in die tijd uitsluitend losse relaties op na.
 

 

 

 

 

 

Willem en Lien gaan in zaken.
Lien en Willem kregen, zoals eerder opgemerkt, in 1932 als bruidsschat een bananenstokerij- annex groothandel in groente en fruit in de grauwe textielstad Enschede. Ook is er nog even sprake geweest van een bruidsschat in de vorm van een hotel in het Duitse stadje Rheine.
Willem zag dit laatste echter niet zo zitten, waarschijnlijk vanwege de onbekendheid met het hotelvak. Bovendien verkeerde Duitsland in deze periode in een zware economische crisis en viel er op zakelijk gebied dus weinig te verwachten in de horeca.

Willem gaf de voorkeur aan een groothandel in groente en fruit.
Daarom kocht Gerrit Jan voor Willem en Lien een leegstaand kerkgebouw aan de Ledeboerstraat nummer 51 in Enschede.
Van deze voormalige christelijk gereformeerde kerk uit 1900 werd de voorgevel geheel gewijzigd en intern verbouwd als pakhuis annex bananenstokerij.

Het jonge paar had het geluk een woning schuin tegenover het pakhuis te kunnen huren in de Ledeboerstraat nummer 52.
Deze Ledeboerstraat was voor de jonggehuwden overigens geen onbekend gebied want op dat moment Lien woonde daar met haar ouders op het adres Ledeboerstraat 64.
Rechts nog een mooie foto van opa Evers samen met z'n drie oudste kinderen poserend voor het huis.                            

Moeder vertelde me eens dat haar ouders wel zeker tien keer waren verhuisd in Enschede.
Ik verdenk mijn oma Jeltje Evers-Camstra ervan dat zij degene was, die zo als we zo mooi zeggen, 'geen zit in 't gat' had.
De Ledeboerstraat is gelegen achter het huidige warenhuis van V&D aan de Boulevard 1945 in Enschede.

 


De Groothandel in Groenten, Fruit en Zuidvruchten.

Het pakhuis, de voormalige Chr. Gereformeerde kerk aan de Ledeboerstraat 51 dat door opa Gerrit Jan in 1930 voor 14000 gulden werd aangekocht,  werd vol handel gezet en er werd een vrachtauto van het fabricaat Dodge gekocht.
Willem moest alles dan maar zien kwijt te raken. En natuurlijk ook nog wat proberen te verdienen...
Rechts een artikel uit het Dagblad Tubantia van 22 oktober 1931, gewijd aan de   groothandel van mijn vader.

Onder eerste klanten die op 21 oktober 1931 kwamen opdagen bevonden zich ook de notoire dubieuze betalers.
Een anekdote hierover is later nog dikwijls door mijn moeder verteld: Een bepaalde groenteboer uit Enschede weigerde een aantal facturen te betalen. Dat was natuurlijk een doorn in het oog van mijn moeder die de boekhouding verzorgde. Zij charterde een collega groenteboer die gevraagd werd even een kleine dienst te verrichten door met zijn paard en wagen even met haar mee te rijden. Ze reden gezamenlijk naar de schuur van deze slechte betaler, haalden de groentewagen naar buiten, bonden deze wagen vast aan de andere, en zo kwam moeder met dit mooie onderpand terug aan de Ledeboerstraat. Ze dacht waarschijnlijk: een brutaal mens heeft de halve wereld! De groenteboer in kwestie betaalde daarna netjes het openstaande bedrag, en kreeg daarna zijn wagen, die zolang in het pakhuis opgeslagen had gestaan, weer terug.

Wat mij ook altijd bijgebleven is zijn de verhalen over de bananenstokerij. De groene bananen kwamen in trossen van ca twintig kilo aan in treinwagons in Hengelo en Enschede en moesten dan in matig verwarmde ruimtes opgeslagen worden om te rijpen. Dat ging door toevoeging van ethyleengas.
Vanuit Jamaica in West-Indië, reisden dan ook dikwijls grote tropische spinnen mee, die dan als je met de bananen aan het snijden was, tevoorschijn kwamen en dan wel eens sprongen maakten van soms wel een meter hoog.
Moeder schrok zich dan iedere keer weer een ongeluk...

Willem's concurrenten in Enschede waren die dagen de
firma's Scholten, Cohen (CO-BROS) en de Beer, waarbij
de eerstgenoemde de grootste was.
De zaken in Enschede liepen in het begin nogal stroef, maar naarmate de firma G.W. Assink, Groothandel in Groenten, fruit en Zuidvruchten wat meer bekendheid kreeg in Enschede en omstreken, begonnen de zaken beter te lopen aan de Ledeboerstraat.

Ik heb nog een paar namen onthouden van het toenmalige personeel. Dit waren de broers Cobie en Broer Huisman die later zelf een detailhandel in groente en fruit zijn begonnen aan resp. de Janninksweg en de Elferinksweg in Enschede.

Ook werkte bij vader een jonge knaap, genaamd Bos of Bosch, die later aan de Kuipersdijk een tweedehands goederen zaakje dreef onder de naam PEDDY. Deze laatstgenoemde, zo vertelde mijn vader wel eens, haalde voor een kwartje in het pakhuis levensgevaarlijke kunsten uit door naar boven te klimmen op ca. tien meter hoogte en dan hangend van de ene hanenbalk naar de andere naar de overkant wist te komen. Men beweert dat deze Peddy na de oorlog miljonair geworden is...
In Enschede aan de Ledeboerstraat liep inmiddels alles naar wens.
 





Het sociale leven van Willem en Lien.

Vaders zaak begon te renderen en ook kon enige tijd vrijgemaakt worden voor hobby en sociaal leven.
Hij had een grote liefde voor kleurkanaries en was lid van de kanarievereniging geworden. Af en toe viel hij in de prijzen met een of meer kanaries.  Rechts een krantenknipsel uit 1937.

Moeder werd lid  van het operette gezelschap van de OVAL dat geleid werd door de heer Roetgering-Schünlau.
Zij zong in het koor van dit operettegezelschap en heeft dikwijls in herinnering gebracht dat zij hier vreselijk veel
plezier heeft beleefd.


Ook waren Willem en Lien actief lid van de Enschedese Zwemclub EZC.
Hier leerden ze een aantal mensen kennen waarmee ze geregeld feestjes organiseerden in hun woonhuis aan de Ledeboerstraat.
Lien haalde haar diploma reddingzwemmen en was ook actief lid van de kunstzwemgroep binnen EZC en moest geregeld met deze groep demonstratie zwemmen in het land.
Zo vertelde ze mij dat ze ook voor de opening van het voormalige zwembad in de nabijheid van de Mallumse Molen in Eibergen waren uitgenodigd. Rechts een afbeelding van dit voormalige Eibergse zwembad.

 




Feestjes.

Rechts ziet u een foto van een aantal van deze dames en heren, fraai gekleed in galakostuum bijeen                     
 in de huiskamer van Willem en Lien Assink aan de Ledeboerstraat.
Enige gezichten die ik mij van deze mensen nog herinner zijn:

1 Kees Thomasson, 2 Riek de Boer, 3 Paulie Pot, 4 Willem Assink, 5 Oom Ab Evers, 6 Sientje Thomasson,
7 Gon ?, 8 Lien Assink, 9 Gerda Verveld.


Ook werd eens een keer een apachen-bal georganiseerd, waar de aanwezigen uitgedorst hadden
als Parijse straatbandieten met hun vrouwelijke aanhang. Hieronder zien we het illustere gezelschap afgebeeld, met mijn moeder vooraan zittend en rechts schuin daarachter mijn vader.
Het is mij niet bekend bij
wie dit feestje werd gevierd.

De foto is in het einde van de dertiger jaren gemaakt.
Kijk eens naar die zorgeloze, vrolijke gezichten. Zo te zien was er geen kou aan de lucht.
En Willem en Lien hadden geen idee wat hen nog te wachten stond...

 


 

Luchtfoto Enschede 1932

Een luchtopname van Enschede uit 1932.

Klik op de afbeelding links voor een luchtopname uit 1932 van de stad Enschede.
De letters "A" en "B" staan voor respectievelijk vaders Pakhuis en het Woonhuis aan de Ledeboerstraat 52 in Enschede.
Ik heb dit jpeg bestand met opzet niet al te zeer gecomprimeerd zodat u de opname mooi kunt uitvergroten .
Het braakliggende terrein links op de foto is van de voormalige volkswijk "De Krim".
De meeste afdakswoningen die daar stonden waren inmiddels al gesloopt.

 

Oorlog.
Op 10 mei 1940 verklaarde Duitsland ons land de oorlog. De Nederlandse bevolking was helemaal overdonderd door de onheilspellende berichten die uit de luidsprekers van hun radiotoestellen kwamen: het Duitse leger trok de grens over met groot vertoon van macht, daarbij slechts op geringe tegenstand stuitend van onze Nederlandse grenstroepen. Op sommige plaatsen werd door ons slecht bewapende Nederlandse leger verbeten stand gehouden, waarbij hierdoor met name op de Grebbeberg bij Rhenen vele slachtoffers vielen door het oorlogsgeweld. Ondanks de overgave van de stad Rotterdam aan de vijand, werd deze toch daarna zwaar gebombardeerd. Hierna volgde de algehele capitulatie aan de Duitsers. Dit nutteloze en strategisch volkomen overbodige bombardement op de nauwelijks tegen luchtaanvallen verdedigde stad Rotterdam heeft een groot aantal burgerslachtoffers gekost, hetgeen bij onze Nederlandse bevolking voeding gaf voor gevoelens van afschuw tegen alles wat Duits was. Maar het leven ging in Hengelo en Enschede gewoon door, en de bevolking raakte langzaam gewend aan de Duitse uniformen op straat. Men dacht dat het allemaal nog wel zou meevallen... Toch deden zich in de eerste oorlogsdagen al veranderingen voor die de voorboden zouden zijn van een hoop ellende in de komende jaren voor onze bevolking. Gemotoriseerd verkeer werd vanwege de benzineschaarste verboden voor nagenoeg iedereen die niet kon aantonen hier beroepshalve gebruik van te maken voor gemeenschapsdoeleinden, en bovendien gingen een groot aantal levensnoodzakelijke artikelen zoals brood en brandstoffen op de bon. Vanwege de langzamerhand ontstane voedselschaarste werden in de grote steden van ons land gaarkeukens opgericht waar de bevolking tegen inlevering van een vetbon, voor de geringe som van 1 dubbeltje een gezonde maaltijd konden ophalen. In Hengelo bij opa en bij mijn vader in Enschede werden contracten afgesloten met het Rijksbureau voor Voedselvoorziening voor de levering van aardappelen en groenten aan deze gaarkeukens. Een gedetailleerde beschrijving over het functioneren van deze Enschedese gaarkeukens staat in "n Sliep Steen" nummer 60 van eind 1999. Dit is het blad dat uitgebracht wordt door de historische kring Enschede. Dit betekende in deze zware tijd een gegarandeerd inkomen voor opa en vader. Er werd in die dagen veel omgezet met zéér tevredenstellende resultaten.
Gerrit Jan vertelde eens, dat als hij bij wijze van spreken een keer tegen een zak aardappelen aan schopte, deze zak honderd gulden meer zou opbrengen. Ik denk dat hij hier mee bedoelde, dat hij er in principe voor kon vragen wat hij wilde. Een aantal van zijn klanten die slecht bij kas zaten, verstrekte hij een tweede hypotheek op hun huis als een soort lening. Hiermee konden ze dan bij opa hun handel financieren. Dit hield natuurlijk ook in dat hij deze groenteboeren aan zich bond en ook dat leverde ook weer geld op.
 



Anne Assink ziek.
Maar wat heb je hier allemaal aan als je gezondheid je in de steek laat? Oma Anne's lichamelijke gesteldheid werd slechter en slechter. Ze wist dat ze niet meer lang zou leven. Eens, op haar ziekbed vroeg ze mijn moeder te beloven onze Willem nooit in de steek te laten. Mijn moeder deed deze belofte gestand! Het enige waar men zich binnen de familie Assink zorgen om maakte was de lichamelijke gesteldheid van Anne Assink. Anne was in 1939 beginnen te kwakkelen met haar gezondheid en was toen nog maar zestig jaar. Later, na diverse onderzoeken bleek dat ze leed aan een hier in het Noorden van Europa zelden voorkomende leverkwaal. Erg vreemd, want oma had nog nooit in haar leven een druppel alcohol aangeraakt. Hier zien we een afbeelding uit 1941 van mijn oma, stevig gearmd met tante Mien en tante Jo. Het is goed te zien dat oma al erg ziek was. Ze was erg vermagerd en was niet meer de trotse, zelfverzekerde vrouw die we kennen van eerdere foto's in deze kroniek. Ook zien we dat tante Jo er wat magertjes uitziet. Het is mij bekend dat zij in deze tijd emotioneel behoorlijk wat te verwerken heeft gehad vanwege een niet zo gelukkig huwelijksleven. Jan Vos had z'n congé gekregen als boekhouder bij opa's groothandel en moest een baantje aannemen als handelsreiziger bij de jamfabriek "de Betuwe". Opa Assink kon het bloed van zijn schoonzoon wel drinken. Het verhaal gaat dat opa Assink ooit in een zeer kwade bui Jan Vos met grote kracht een melkkoker naar het hoofd slingerde toen deze de woonkeuken binnen kwam, en hem (gelukkig maar) miste, waarbij de melkkoker tegen een muur van de woonkeuken aan gruzelementen vloog. Het conflict liep op het laatst zo hoog op dat de bedrijfsleiding van de comestibles winkel aan de Molenstraat werd overgegeven aan Egelbert(?) en Jo van Tongeren.
Dit hield in dat Jan en Jo Vos met dochtertje Nanny moesten verhuizen naar een etagewoning in de Nieuwstraat in Hengelo.

Men was overigens heel erg gesteld op tante Jo, die zoals mijn moeder wel eens vertelde, de eigenschap bezat niet te goed te kunnen plannen. Ze had onder andere geregeld problemen met het aantrekken van haar (zijden) kousen waar ze dan ladders in trok wanneer ze grote haast had om uit te gaan.
Ze zat dan te jammeren omdat haar man al lang en breed vertrokken was naar hun bestemming voor die avond.
Hij wenste hier dan niet op haar te wachten. Dit kenmerkt een beetje de atmosfeer in huize Vos.
 

Anne schijndood.
Moeder vertelde mij dat Anne op haar ziekbed op een gegeven moment door de huisarts voor de dood was weggehaald en, dat ze dit naderhand helemaal niet zo op prijs had gesteld. Ze vertelde dat ze de mooiste visioenen had gehad, die samengingen met een groot gevoel van welbehagen. Oma was een aantal minuten schijndood geweest.
 

Anne overleden.
Mijn oma Johanna Willemina Assink-Endeman overleed op 18 mei 1942 op drieënzestig jarige leeftijd en werd begraven in een prachtig groot koopgraf op de algemene begraafplaats aan de Oldenzaalsestraat in Hengelo. Opa vond het een noodzaak dat oma begraven zou worden in de nabijheid van de familiegraven van Stork, de patriciërsfamilie in het Hengelo van toen. Hij wenste dat oma "op stand" de eeuwigheid in ging. Dàt had ze toch zeker in haar leven verdiend? Ik ben in januari '97 samen met mijn zoon Gert op zoek gegaan naar dit graf.
Dat was op een bitter koude zondagmorgen.

Nadat we beiden de hele begraafplaats hadden afgezocht, en niets hadden gevonden, gaven we de moed op, en keerden huiswaarts. Toen we de uitgang van de begraafplaats naderden, was het een laatste blik naar links die uiteindelijk succesvol bleek.
Ik had toen een beetje het gevoel dat het vanzelfsprekend was dat ik het graf gevonden had...

Daar stonden we dan als enige stamhouders voor het graf, beide met een vreemd gevoel van ontroering. Gevoelsmatig bracht het me een stukje dichter bij mijn grootouders. Een goed gevoel was dat!
Overigens, voor diegenen onder u, die geïnteresseerd zijn in de ligging van dit graf: als u de poort van de begraafplaats bent gepasseerd, en u kijkt dan een beetje schuin naar links, dan kunt u het graf zien liggen onder een grote boom.

Opa Gerrit Jan was weduwnaar geworden en moest het van nu af aan zelf maar zien te runnen. De familie besloot na enige tijd dat er een huishoudster moest worden aangesteld om de dienstmeiden aan het werk te houden. Hiervoor werd gevonden ene mevrouw Jo Schothuis, een streng katholieke weduwe uit Hengelo. Zij zwaaide voortaan de scepter in de huishouding aan de Stationsstraat.

 

Anne overleden.
Mijn oma Johanna Willemina Assink-Endeman overleed op 18 mei 1942 op drieënzestig jarige leeftijd en werd begraven in een prachtig groot koopgraf op de algemene begraafplaats aan de Oldenzaalsestraat in Hengelo. Opa vond het een noodzaak dat oma begraven zou worden in de nabijheid van de familiegraven van Stork, de patriciërsfamilie in het Hengelo van toen. Hij wenste dat oma "op stand" de eeuwigheid in ging. Dàt had ze toch zeker in haar leven verdiend? Ik ben in januari '97 samen met mijn zoon Gert op zoek gegaan naar dit graf.
Dat was op een bitter koude zondagmorgen.

Nadat we beiden de hele begraafplaats hadden afgezocht, en niets hadden gevonden, gaven we de moed op, en keerden huiswaarts. Toen we de uitgang van de begraafplaats naderden, was het een laatste blik naar links die uiteindelijk succesvol bleek.
Ik had toen een beetje het gevoel dat het vanzelfsprekend was dat ik het graf gevonden had...

Daar stonden we dan als enige stamhouders voor het graf, beide met een vreemd gevoel van ontroering. Gevoelsmatig bracht het me een stukje dichter bij mijn grootouders. Een goed gevoel was dat!
Overigens, voor diegenen onder u, die geïnteresseerd zijn in de ligging van dit graf: als u de poort van de begraafplaats bent gepasseerd, en u kijkt dan een beetje schuin naar links, dan kunt u het graf zien liggen onder een grote boom.

Opa Gerrit Jan was weduwnaar geworden en moest het van nu af aan zelf maar zien te runnen. De familie besloot na enige tijd dat er een huishoudster moest worden aangesteld om de dienstmeiden aan het werk te houden. Hiervoor werd gevonden ene mevrouw Jo Schothuis, een streng katholieke weduwe uit Hengelo. Zij zwaaide voortaan de scepter in de huishouding aan de Stationsstraat.

 


Een chique trouwpartij in Hengelo.
Toch was er naast het verdriet om oma, ook nog iets om met blijdschap naar uit te kijken. Zus en Jan Schekman hadden hun trouwdatum vastgesteld op 21 december 1942. Van deze trouwplechtigheid werd een film (celluloid) gemaakt, die later door Nanny Vos werd overgezet op videoband. Ook ik ben in het bezit van een VHS kopie van deze opname! Als je goed oplet, zie je mijn vader en moeder ook nog in zeer korte fragmentjes lopen. Mijn moeder was toen al in verwachting van mij, terwijl mijn vader de voet in het gips had vanwege een gebroken enkel.

Deze foto is tijdens deze filmopnamen gemaakt en toont mijn opa Gerrit Jan op de voorgrond met boven aan de trap aan de rechterkant mijn vader, met naast hem, nauwelijks zichtbaar, mijn moeder. Voor mijn ouders staan Jan en Mien de Roo.

De man met de bril is vader Schekman met aan zijn rechter zijde tante Mientje, de zus van opa, en uiterst links moeder Schekman. Je ziet aan Gerrit Jan z'n gezichtsuitdrukking dat hij een moeilijke tijd achter de rug heeft.


 

Luchtoorlog.
Naarmate de tijd vorderde werd de oorlog voor onze bevolking voelbaar moeilijker. Vanaf eind 1942 werd er veel hinder ondervonden van bombardementen door geallieerde vliegtuigen op strategisch gelegen objecten zoals het vliegveld Twenthe. Geregeld loeiden er 's nachts in de Twentse steden de sirenes van het luchtalarm. Dit hield in dat een ieder een veilig heenkomen zocht, b.v. in de kelder onder zijn huis of in een der openbare schuilkelders die inmiddels in opdracht van de overheid waren gebouwd. Het grootste deel van de bevolking waande zich in huis wel veilig onder de trap naar boven of gewoon in de huiskamer, althans op de benedenverdieping van zijn huis. Mijn moeder vertelde dat hun witte keeshondje "Bobby" altijd bij luchtalarm in één van de aanrechtkastjes kroop. Men kon pas weer gaan slapen als het luchtalarm het sein alles veilig had gegeven.
Nachtrust werd zo langzamerhand een kostbaar goed.
Het was die tijd bij Willem en Lien Assink een komen en gaan van reizigers die dan meestal voor één nacht aan de Ledeboerstraat verbleven. Deze reizigers, (moeder vermoedde dat dit vaak mensen waren uit verzetsorganisaties) die op doorreis naar het zuiden van het land waren, werden meestal meegenomen door Harm Koeneman, een zakenrelatie van vader uit het Groningse Sappemeer.
Deze Harm Koeneman leverde vader wagonladingen kool die nodig waren voor de gaarkeukens in Enschede.
Dikwijls werd er tijdens deze kortstondige logeerpartijen een feestje georganiseerd omdat deze Koeneman kennelijk voldoende middelen bezat om de toen peperdure drank te financieren.

Kraamfeest!
Eindelijk na twaalf jaar huwelijk beviel moeder Lien op zaterdag, 24 april 1943 van een negen pond zware zoon die gelijk na de geboorte al een spaarbankboekje met een voor die tijd grote som geld a NLG1000,- als geboortegeschenk overhandigd kreeg van zijn opa Gerrit Jan, omdat hij op zijn wens naar hem vernoemd was geworden. Veel geld in die tijd!



Ledeboerstraat.
Links een foto die genomen is achter ons huis aan de Ledeboerstraat 52 in Enschede.
Het is 1944 en ik ben op deze foto 13 maanden oud.
Zo te zien leed ons gezinnetje geen armoe en maakten Willem en Lien een gelukkige indruk.
Moeder wandelde met haar rieten kinderwagen trots door de stad en als mensen haar in de weg liepen, dus gepasseerd moesten worden, dan belde ze even met de fietsbel die op de stang van de kinderwagen gemonteerd was...
Sommigen sprongen dan opzij met de gedachte dat ze anders overreden zouden worden door een fietser.
Deze foto geeft echter een verkeerd beeld van de toenmalige situatie. Er heerste vooral in dit laatste jaar van de oorlog een continue angst voor de bombardementen die zowel ´s nachts als overdag plaats vonden op steden en dorpen in het grensgebied van Twente met Duitsland.

Bewonerslijst van de Ledeboerstraat in Enschede in 1939.
Voor de geïnteresseerden onder u: klik hier op de bewonerslijst van de Ledeboerstraat uit 1939.
De met een sterretje gemerkte namen zijn de toenmalige hoofdbewoners.
Ook noem ik de joodse buren van mijn ouders die omkwamen in concentratiekampen van de Nazi´s. Ik heb als kleine jongen mijn ouders nog dikwijls vol afschuw horen praten over deze afschuwelijke Nazi terreur.

 

Vergissingbombardementen.
De stad Enschede is, zoals ik al schreef, gedurende de tweede wereldoorlog zwaar geteisterd door bombardementen. Het kwam nogal eens voor dat geallieerde bommenwerpers werden opgejaagd door Duitse Messerschmidt jachtvliegtuigen of binnen het bereik van luchtafweergeschut vlogen.
De bommenlast werd dan op willekeurige doelen gedropt om dan snel naar veiliger hoogten te kunnen stijgen.
Hierdoor zijn er bij vergissing een aantal bombardementen op Nederlandse steden en dorpen uitgevoerd door met name Amerikaanse vliegers die dachten zich nog boven Duits grondgebied te bevinden.
Gebrek aan opleiding van het Amerikaans vliegend personeel heeft hierdoor in Enschede en Nijmegen verschrikkelijk veel extra oorlogsleed veroorzaakt.

Deze lijst vermeldt de datum en plaats van deze bombardementen op de stad Enschede en is door dhr. Bert van der Velden uitgezocht en ontleend aan de "Schadekaarten van de Gemeente Enschede 1946 en 1947" uit het Gemeentearchief van Enschede.
Een uitgebreid verslag van het vergissingbombardement op Nijmegen, Arnhem en Enschede van 22 februari 1944 kunt u nalezen in het door Alfons E. Brinkhuis geschreven naslagwerk "DE FATALE AANVAL".
Dit boek wordt integraal weergegeven op als u op de afbeelding rechts klikt.
(let op: dit pdf document telt 143 pagina´s !!!)

 

Gerrit Jan wordt gedwongen te verhuizen.
Ook Hengelo werd in die tijd zwaar geteisterd door aanhoudende bombardementen vanwege de strategische ligging van het aldaar liggende spoorwegknooppunt.
Opa's woonhuis aan de Stationsstraat 11 en nog een ander nabijgelegen woonhuis werden in 1941 gevorderd door de Duitse "Bahnhof Kommandantur". Dit hield in dat het huis gemeubileerd moest worden overdragen aan de bezetters.
Oom Jan Schekman heeft echter met een bakfiets het gehele meubilair en de stoffering kunnen opslaan in een huis aan de Tuindorpstraat alwaar opa vervangende woonruimte had gekregen.
In een brief , gedateerd woensdagmiddag 20 september 1944 schreef Gerrit Jan aan zijn jongste dochter:

"Liefste Zus,
Het is op het ogenblik druk in Hengelo met de soldaten. Maar er gebeurt hier toch niets.
De bonen heb ik ontvangen, velen dank.
Doe uzelf maar niet te kort, ik red me altijd nog wel.
Johan Schothuis brengt ook altijd wat mee, die zorgt ook wel goed voor me.
Wij leven als prima menschen onder elkander.
Boter heb ik genoeg en brood ook. Johan zorgt ook voor olie. Wij bakken nog
pannekoeken en aardappels opbakken met een uitje dat is heel lekker."

Voor zover een fragment uit deze brief waaruit blijkt dat het allemaal nog wel meeviel in Hengelo.
Hoe kon opa weten dat zestien dagen later nagenoeg het hele centrum van Hengelo platgebombardeerd zou worden en dat dit ook zijn einde zou betekenen...
 


De bombardementen van 6 en 7 oktober 1944 op Hengelo.

Hieronder plaats ik een kopie van een artikel in de 'Twentsche Courant" van 3 oktober 1984 waarin een overlevende beschrijft wat er zich afspeelde op 6 en 7 oktober 1944.
Hengelo,
Een stralende herfstdag, die vrijdag 6 october 1944. Voor de Hengeloërs is het niet ongewoon om soms de echo's van explosies te horen, wanneer de geallieerden vanuit de lucht doelen aanvallen om de Duitse oorlogsmachine verder te ontregelen. Op die vrijdag, en de dag daarop, is de stad zélf het doelwit van de geallieerde vliegtuigen. Een regen van bommen vaagt in die beide dagen de binnenstad en omgeving weg. Het doelwit: het spoorwegemplacement, een belangrijke aan- en afvoerschakel van de bezettingsmacht. Er kwamen 125 Hengeloërs om het leven en zo'n 500 Duitsers.
Bijna veertig jaar geleden voltrok zich deze ramp over de stad. De aanval kwam onaangekondigd. Luchtalarm werd er niet gegeven, en dat was een gelukkige omstandigheid, omdat de fabrieken daardoor niet leegliepen.
In een verslag uit de Twentsche Courant uit '58, waarin onder de kop "Hengelo herrezen" de gevolgen nog eens worden beschreven, wordt ondermeer gemeld over die eerste dag: "Een groot deel van de binnenstad was door bommen vernield, Maar ook was er onheil aangericht op de Grundel, Anninksweg, Weemenstraat, Cronjéstraat, Oldenzaalsestraat en Waarbekenweg. Politie, brandweer, Rode Kruis, reddingsploegen, verplegend personeel alsmede vele geestelijken trokken er dadelijk op uit om de gewonden bij te staan en de doden te bergen.
Uit datzelfde verslag: Aan de Telgen zaten toen mensen opgesloten in een kelder. Door de enorme ravage die was aangericht, heeft men ze niet snel genoeg kunnen bereiken. Toen men tot de schuilplaats was doorgedrongen bleken allen te zijn overleden. Zo speelden zich op meerdere plaatsen afschuwelijke taferelen af. Zoals de zes meisjes, die onder de vallende muren van de KNKS de dood vonden, en na dagen van zoeken en puin verwijderen werden gevonden.
De volgende dag was het rampgebied verlaten, maar de hulpverleners zetten hun werk voort in de binnenstad. En zij werden door een nieuwe bomaanval verrast. Het station kreeg nu vele voltreffers, het treinverkeer werd onmogelijk. Het dodencijfer op deze zaterdag 7 october bedroeg 28 Hengeloërs. Van de binnenstad was vrijwel niets meer over.

De heer G.J Schrage was in die tijd werkzaam bij de distributiekring. Z'n journalistieke werk had hij in het begin van de bezettingsjaren moeten opgeven, omdat hij weigerde een bombardement in het begin van die periode op de hoek van de Brinkstraat en de Enschedesestraat in de schoenen van de Engelsen te "schrijven". Hij maakte de bombardementen van 6 en 7 oktober 1944 mee en herinnert zich deze ramp, zoals hij die beleefde in details.

Op 6 oktober 1944 sloeg voor oom Jan en tante Jo Vos in de Nieuwstraat het noodlot toe. Het kost moeite je voor te stellen wat het effect is van een bombardement met fosfor bommen. Fosfor doof je nl. niet met water, het brandt door totdat het is uitgewerkt. Jan en Jo Vos zijn hierdoor levend verbrand. Afschuwelijk…
Het leven van mijn nicht Nanny bleef, zoals ik al eerder opmerkte in deze kroniek, wonderwel gespaard omdat ze bij een tante in het tuindorp 't Lansink aan het koekjes bakken was. Nanny was toen negen jaar.



De bombardementen van 6 en 7 oktober 1944 werden uitgevoerd door resp. 36 en 35 stuks B26 Martin Marauders van de USAAF. (foto hierboven).
Zij wierpen in tegenstelling met de raids van de Britse Royal Air Force vanaf grote hoogte hun
bommenlast af. Strategische bombardementen noemden de Amerikanen het...
Aldus de Henk van Baaren's zeer uitgebreide naslagwerk "Bommen vielen op Hengelo".(uitgave: Broekhuis, Hengelo Ov.)


Opa Gerrit Jan ging op zaterdagochtend 7 oktober samen met Johan, de zoon van zijn huishoudster Jo Schothuis, vanuit het tuindorp 't Lansink naar de stad om de schade op te nemen.
Heel z'n levenswerk bleek weggevaagd door die verdomde oorlog. Zijn dochter Jo, z'n mooie huis aan de Stationsstraat 11, het pakhuis en het winkel/woonhuis aan de Molenstraat 64. Alles was weg.
Wat zal hij een verdriet hebben gehad.
Gelukkig wist hij toen nog niet onder welke verschrikkelijke omstandigheden zijn dochter Jo en Jan Vos om het leven waren gekomen.
Opa was tussen de puinhopen aan het zoeken naar voorwerpen van waarde toen er, zonder dat er luchtalarm werd gegeven opnieuw een hel losbrak boven het centrum van Hengelo.
 


Hierboven een kopie van opa's overlijdensbericht uit het Twentsch Nieuwsblad en links ziet u de uitgebrande restanten van zijn winkelpand aan de Molenstraat 64 met links daarnaast de eveneens uitgebrande slagerij van mijn oom en tante de Roo.

...Johan Schothuis kon de schuilkelder van fietsenmaker Bruist aan de Molenstraat nog bereiken. Hij raakte "slechts" licht gewond. Opa reageerde te laat. Hij werd op slag gedood.
Oom Jan Schekman bezocht even hierna het ziekenhuis waar Schothuis was opgenomen. Hier vernam hij waar opa's stoffelijk overschot gezocht zou moeten worden. Hij vond het stoffelijk overschot van Gerrit Jan uiteindelijk dichtbij de ingang van de schuilkelder van Bruist. Hij had Gerrit Jan's zelfgebreide sokken herkend...
Gerrit Jan werd naast Anne begraven. Nu waren ze weer samen...

Mijn ouders vernamen van de notaris dat er nagenoeg niets te erven viel uit de nalatenschap van opa Assink.
Ook bleek dat ook de altijd zo goed gevulde brandkast leeg was, hetgeen voor iedere (?) betrokkene een onbegrijpelijke zaak was.
Wie had hier de hand in gehad?
Dit raadsel is tot nu toe nooit opgelost...


 

Bombardement van 22 maart 1945 op Enschede.
Uiteindelijk zou ons gezinnetje ook niet gespaard blijven voor dit noodlot. Hieronder plaats ik een tweetal kopieën uit het boek ENSCHEDE 1940-1945 van T.Wiegman. Deze foto's geven de verwoesting weer aan huizen in de onmiddellijke omgeving van de Ledeboerstraat.

lk citeer nu uit dit boek:
En zo werd het 22 maart 1945. Op deze donderdagmiddag verschenen omstreeks 15.50 uur zes bommenwerpers boven de stad, die hun lading van 36 brisantbommen en 30 splinterbommen afwierpen. De bommen kwamen terecht in de Berkenkamp, Beukinkstraat, Brinkstraat, Kalanderstraat, Ledeboerstraat, Perikweg, Soendastraat en Spelbergweg, terwijl ook de R.K. Kerk aan de Oldenzaalsestraat werd getroffen, blindgangers kwamen terecht aan de Oldenzaalsestraat, Horstlindeweg, Jacob Obrechtstraat en de Soendastraat. Blok 43 was zwaar getroffen, (Enschede was door de luchtbeschermingsdienst verdeeld in blokken). De trieste balans bedroeg 65 doden, 32 zwaar gewonden en 100 licht gewonden. Ook de materiele schade was groot, 96 woningen werden totaal vernield, l38 zwaar beschadigd en 67 woningen kregen glas - en dakschade. Over dit bombardement vertelde August Seckel later:

"Op het ogenblik, dat we laag overvliegende vliegtuigen hoorden, sloegen de eerste bommen in. Ruiten vlogen eruit en de vloer goIfde onder onze voeten. Plafonds vielen naar beneden. Tijd om naar de schuilkelder te gaan was er niet meer, dus kropen we in de gang onder de trap, de veiligste plaats in huis. Toen het even wat stiller werd keek ik even naar buiten, en zag door rook en stof heen, mensen de schuilkelder in vluchten. Opnieuw kwamen bommen fluitend omlaag. Terug in de schuilplaats onder de trap goIfde opnieuw de grond toen de bommen insloegen. De vliegtuigen waren even snel verdwenen als ze gekomen waren. Tussen het lawaai door ging het luchtalarm. Het was 4 uur in de middag, alles heeft maar een paar minuten geduurd maar de verwoesting was compleet".


Dit bombardement dat zoals u las, ook de Ledeboerstraat trof, vernielde ons pakhuis geheel en voor een groot gedeelte ons daar tegenover gelegen woonhuis.

Mijn moeder lag op dat moment in bed vanwege een kort hiervoor geleden miskraam.
Ook ik lag in mijn kinderledikantje als bijna tweejarige peuter m'n middagdutje te doen.
Vader bevond zich in de tuin.
Hij zag de de vliegtuigen overkomen en de bommen op het huis vallen. Hij moet versteend zijn geweest van schrik...
Ik kan me deze gebeurtenis uiteraard niet meer herinneren, maar mijn moeder vertelde me later dat ze, kort voordat de bommen vielen, als het ware door een onzichtbare hand in bed werd gedrukt.
Dit heeft wonderwel haar redding betekend want als ze uit bed was opgestaan om met mij op de arm weg te vluchten naar de benedenverdieping, was dit catastrofaal geweest voor ons beiden. Het hele trapgat met de overloop waren verdwenen.
Als door een wonder was geen van ons drieën was gewond geraakt.
Ik had weliswaar de brokken puin in mijn ledikantje liggen, maar had geen enkel schrammetje opgelopen.

De afbeeldingen hieronder geven de
verwoestingen weer die in onze buurt
werden aangericht op deze 22e maart 1945. 

"Tante" Bep Hofstede, een vriendin van moeder vertelde me dat ze van haar werk als verkoopster bij de herenmodezaak Kuiper aan de toenmalige Oldenzaalsestraat (nu Heurne), direct na dit bombardement naar huis rende.
Ze kwam langs de Ledeboerstraat en zag dat ons huis ook gebombardeerd was...
Moeder zat lijkbleek in een vrachtwagen van Koeneman en was niet aanspreekbaar. Ze had een shock. Wat moesten ze nu? Nagenoeg alle aardse bezittingen waren van het ene op het andere moment vernield of zoekgeraakt. Enige meubelstukken konden nog gehavend uit de puinhopen worden gehaald.
Later werd uit de restanten van het huis en het pakhuis nog veel van de inboedel geroofd door aasgieren die hiervoor speciaal 's nachts op pad gingen. We werden ook geholpen. Babykleertjes bijvoorbeeld, werden door de familie Joh. Nijenhuis van de meubelwinkel aan moeder geschonken.

Vader Willem was helemaal de kluts kwijt na dit bombardement.
Moeder vertelde dat hij uren achtereen op de puinhopen aan het zoeken was geweest naar zilveren dubbeltjes die hij opgespaard had. Alsof er niet wat anders te doen was...
Achteraf denk je dan wel eens dat zo'n gebeurtenis een mensenleven lang z'n sporen achterlaat.
Traumateams kende men toen nog niet, en iedereen moest maar zien hoe hij of zij het rooide.
Vader was overigens niet tegen molest (oorlogsschade) verzekerd, waarbij ik me trouwens afvraag of dit in deze oorlogstijd wel tot de verzekerings opties behoorde.
Maar goed dat opa Assink mij dat spaarbankboekje had gegeven. Konden ze zich van dat geld in ieder geval van de eerste levensbehoeften voorzien.
Het was een gigantische catastrofe dus voor ons gezin die z'n nasleep nog zou krijgen.



Hessenweg Enschede.
Wij waren dakloos geworden en vonden voorlopig onderdak in het verlaten huis van de familie K. aan de Hessenweg.
Deze K. was o.m. groepsleider van de NSB in Enschede-Zuid-Oost.

Mijn ouders kenden de familie K. van de zwemclub E.Z.C. waar hij een bestuursfunctie bekleedde.
Deze had enige dagen eerder met zijn echtgenote en kinderen de wijk genomen naar Groningen dat nog vast in handen was van de Duitsers.
De Tommies waren in aantocht en iedereen die wat op z'n politieke kerfstok had kneep hem als een dief voor de zogenaamde "bijltjesdag".
Op eerste paasdag, 1 april 1945 werd de stad Enschede door het tweede Engelse leger en het eerste Canadese leger onder bevel van veldmaarschalk Montgomery bevrijd. Bijna iedere inwoner van Enschede was blij…
In juli 1945 verhuisden we van de Hessenweg naar de Emmastraat 123 in Enschede.        
Mevrouw K. kreeg haar huis na de oorlog overigens niet weer terug omdat in die tijd
veelvuldig de bezittingen van landverraders verbeurd werden verklaard.
 
 


Emmastraat 123, Enschede.
Volgens de "Naamlijst voor den Telefoondienst" was hier in 1915 gevestigd het assurantiekantoor van P.W.Zijlstra, en volgens het adresboek van de Gemeente In Enschede woonde hier in 1939 de katoenagent J.W.Reinders.
In 1946 werd dit huis aan ons toegewezen door de dienst volkshuisvesting en bood onderdak aan twee gezinnen. Op de eerste verdieping woonde de familie Nijzing die waarschijnlijk ook uitgebombardeerd waren. Twee gezinnen onder één dak dus.
Wij woonden beneden en vader en moeder sliepen op zolder.
Mijn kinderkamer was op de eerste etage aan de achterzijde van het huis.
De familie Nijzing bewoonde de overige kamers op de eerste etage.
Ik herinner me de imposante met smeedijzer bewerkte voordeur, de grote met blauw met wit en okerkleurige plavuizen betegelde hal met aan de rechterkant de trap naar de eerste verdieping, waar ik geregeld via de leuning naar beneden gleed. 's Morgens om half acht, tussen de middag om twaalf uur en half twee en om half zes 's middags hoorde je de fabrieksfluiten van de textielfabriek Scholten aan de Haaksbergerstraat gaan ten teken van begin of einde van de arbeid. Tegenover deze fabriek speelde ik in de ruïne van een weggebombardeerd huis. Later bouwde men hier de supermarkt Weijenberg.

 
's Zondagmorgens kregen we zeer geregeld koffiebezoek van ooms en tantes met neefjes en nichtjes. Er werden dan grammofoonplaten gedraaid van de Ink Spots (=into each life some rain must fall ) en niet te vergeten Bing Crosby (=now is the hour for me to say goodbye). Deze laatste had een geweldig mooie stem, vond moeder. Nog mooier dan die van Danny Kaye of Frank Sinatra.

Regelmatig bakte ze grote appeltaarten die door de hele familie geroemd werden. Het leek er soms wel op dat ze er lucht van hadden gekregen als er weer een gebakken was.
Dan hadden we zondags het huis vol fijnproevers.
Ik weet ook nog goed dat moeder zelf kroketten maakte van heerlijke kalfsragout, toastjes met rode zalm en al dat soort lekkernijen.
Oom Cor en tante Ada Scheper kwamen zondags ook geregeld op koffiebezoek. Ik vond het altijd reuze gezellig. We hadden veel plezier met elkaar.
 


























Op deze afbeelding zit ik samen met mijn nichtjes Ineke en Elly Scheper op de bank in de serre.

 


Een nieuwe fiets.
Op mijn 8e verjaardag kreeg ik een mooie spiksplinternieuwe donkerrode fiets waarmee me even daarna in de Prinsestraat iets vreselijks overkwam.
Ik botste daar op een mooie zondagmiddag met losse handen fietsend, fluitend en achteromkijkend, pardoes tegen de Austin Cambridge van tandarts Lomars. De auto had geen schrammetje maar mijn fiets was volkomen onbruikbaar omdat de het frame helemaal krom gebogen was.
Ik deed me in de broek als ik aan de reactie van mijn moeder dacht omdat ik wist dat ze met veel moeite het geld bij elkaar geschraapt hadden voor zo'n groot cadeau. Maar ook dit liep gelukkig met een sisser af: vader kon de fiets weer laten repareren bij smid Arends aan de Alsteedsestraat.
Bij deze smederij Arends heeft zich in september 1949 een ernstig bedrijfsongeval voorgedaan.

Bij laswerkzaamheden aan de loop van een kanon vond er een enorme explosie plaats waarbij de smid en zijn zoon ernstig gewond raakten. Oorzaak van dit ongeval was een zich nog in de loop van het luchtafweergeschut bevindende granaat. Op deze foto ziet u de uiteengereten loop met op veilige afstand een aantal toeschouwers.

 

Vader weer aan de slag.
Vader was na de oorlog weer op bescheiden schaal begonnen met z'n groothandel in groenten en fruit. Hij had van de schade-enquêtecommissie een paar duizend gulden ontvangen voor de geleden oorlogsschade en gebruikte dit als startkapitaal. Als pakhuis had hij een gedeelte van het niet meer als zodanig in gebruik zijnde Station Noord aan de Hengelosestraat in Enschede. Ik plaats hier een foto van dit Lokaal Spoorweg Station waar je tot het jaar 1937 per trein naar Ahaus (D), naar Oldenzaal of naar Neede kon reizen.
Vader had het rechter gedeelte gehuurd. Op de foto zie je rechts nog net een gedeelte van het belastingkantoor zoals het nu nog bestaat. De zaken gingen echter niet zo goed. Vader miste de ondersteuning uit Hengelo, waarvandaan hij altijd de zuidvruchten had betrokken.
Het ontbrak vader aan logistieke - en commerciële kennis om deze toch wel noodzakelijke zuidvruchtenhandel op te zetten.
Hij betrok z'n handel van de veiling Zwolle, waar uitsluitend Nederlandse groente en fruit werden geveild. Als transportmiddel kreeg vader na de oorlog een oude Renault vrachtwagen toegewezen door de autoriteiten.
Hij had een boekhouder, ene E. in dienst, die volgens moeder de zaak fleste.
Ook was er een chauffeur, Jan O. die een zwarte dop voor een van z'n ogen had en de bestellingen naar de klanten bracht.


Het ging bergafwaarts met de zaak. Vader bracht naar moeders idee veel te veel tijd kaartend door in de koffie kiosk van Fije alwaar hij op z'n klanten wachtte. Toch heb ik de indruk dat ook moeder veel eerder het heft in handen had moeten nemen en vader niet had moeten laten aansukkelen. Ik denk hierbij aan het dienstmeisje Hilly en later mevrouw Schreur de werkster die toch ook moesten worden uitbetaald. Moeder vertoefde menige mooie zomerdag samen met mij op Bad Boekelo, terwijl ze zich toch ook verdienstelijk had kunnen maken in de zaak. Hier plaats ik een foto die gemaakt is in 1950 en waar ik breed grijnzend opsta met achter me m'n moeder in het wit. De rest van het gezelschap zijn vermoedelijk enige leden van de zwemclub EZC. Zo voor het oog van het Enschedese volk was er nog niets aan de hand in huize Assink. Er werd in deze naoorlogse jaren nog steeds met volle teugen genoten van de herwonnen vrijheid. De euforie die er na de bevrijding heerste was weliswaar wat weggeëbd maar niets weerhield moeder ervan te blijven genieten van het leven, zoals ze het immers gewend was geweest voor de oorlog.
Ze wou gelukkig zijn.
Ik heb het gevoel dat vader de indruk wekte dat er voldoende geld werd verdiend en dat niemand zich zorgen behoefde te maken.
En niemand maakte zich dan ook zorgen tot aan de dag dat er liquiditeitsproblemen ontstonden. Het mooie leventje was voorbij en dat was vooral voor moeder een hard gelag.


 


Een weekje kamperen bij het Lutterzand.

In de zomer van 1950 gingen we samen met oom Bertus en tante Annie Evers en mijn neef Bertie en de nichtjes Rita en Anneke kamperen op het weiland van boer Nolten aan het riviertje de Dinkel.
De tent waarin we sliepen bestond uit op elkaar gestapelde groentekisten die aan de buitenkant dienst deden als afscherming en aan de binnenzijde werden gebruikt als opbergvakken. Lange latten hielden hielden de hele boel in fatsoen en als dakbedekking diende een groot dekzeil.
In dit provisorische onderkomen werd gekookt en geslapen.
Vader kwam ’s avonds met z’n Renauld vrachtwagen van Enschede naar dit vakantieadres gereden waar de warme hap dan al op hem stond te wachten.
Ik herinner me dat moeder en tante Annie op een morgen bij de slager in de Lutte een mooi stuk vlees hadden gekocht dat ’s middags door de hond van boer Nolten uit onze tent werd geroofd. Wat waren we kwaad op die rover!
Geen vlees bij het avondeten dus…
Naar de huidige maatstaven gemeten ontbrak het ons toen aan enige vorm van luxe, maar het was een onvergetelijke heerlijke vakantie.
We zwierven urenlang door de bossen van het Lutterzand, bouwden dammen in de Dinkel, klommen in bomen en groeven gaten in de zandwallen van de ‘Greun'n Stet’ waarvoor we dan flink op ons donder kregen van onze moeders.
‘s Avonds zaten onze ouders bij het kampvuur waar dan sterke verhalen en de laatste moppen werden verteld die dan lachsalvo’s tot gevolg hadden.
Tante Annie wilde op een avond de kampeerders de schrik op het lijf jagen door zich te verkleden als spook. Ze had haar kunstgebit uit de mond gedaan en een wit laken omgeslagen en terwijl ze haar gezicht van onder het laken met een zaklantaarn bescheen probeerde ze haar ‘slachtoffers’ de stuipen op het lijf te jagen.
Deze act was een groot succes, helemaal toen ze na afloop van de act bij alle kampeerders met een tandenloze mond aanklopte met de vraag of ze ook toevallig een kunstgebit hadden gevonden. Dit had grote hilariteit tot gevolg. Een dag later vond ze haar “valse tanden” terug. Gelukkig maar...





De magere jaren.

Moeder was genoodzaakt kostgangers in huis te nemen aan de Emmastraat. Ik meen me te herinneren dat we rond 1950 zelfs drie kostgangers hadden die allen studeerden aan de Hogere Textielschool in Enschede.
Dit waren twee Javaanse jongens van Chinese afkomst en een Nederlandse jongeman. Ik sliep niet meer in mijn slaapkamer op de eerste verdieping, maar bij m'n ouders in de glazen serre die in de tuin achter de woonkamer was gebouwd.

Op de foto rechts sta ik als ca 5 jarige Cowboy verkleed compleet met lasso en revolver in de tuin. In deze tijd was ik ook vaak ziek.

Ik had geregeld last van netelroos (galbulten) en bovendien leed ik aan astmatische bronchitis.
Gelukkig verdwenen deze kwalen toen ik een jaar of dertien was.

Achteraf denk ik wel eens dat deze kwalen een psychosomatische oorzaak hadden. Indirect kreeg ik immers een flinke portie van alle spanningen en problemen mee die thuis waren ontstaan.
Ik heb als klein ventje heel wat crisissituaties meegemaakt.
 



Naar school.

In 1948 moest ik voor het eerst naar school. Dit werd de Tweede Prinsenschool van de heer Elling aan de Prinsenstraat, naast de Synagoge. Mooi dichtbij ons huis: het was nog geen drie minuten lopen.
Het was een school die goed bekend stond in de stad.
Ik heb er dan ook heel wat basiskennis opgestoken, maar terugblikkend was het toch geen fijne tijd.
Ik herinner me bijvoorbeeld, dat ik eens moest nablijven omdat ik mijn taalgebruik niet netjes genoeg was geweest. Ik had "hartstikke" gezegd, en dat was ongepast vond juffrouw Goudriaan van de tweede klas.
Op deze school hing het regiem als dat van een ouderwetse kostschool.

Bronchitis en galbulten waren oorzaak dat moeder me vaak ziek moest melden op school. Ik weet nog goed dat vooral de nachten afschuwelijk lang waren als ik piepend met een dichtgedrukte luchtpijp in bed lag. Ook die galbulten waren erg vervelend. Je wist dat je er niet aan mocht krabben want het vocht dat er dan uitkwam was erg besmettelijk en veroorzaakte dan op andere plaatsen weer nieuwe uitbarstingen. Eraf blijven lukte je niet omdat de jeuk niet om uit te houden was.
Maar zoals eerder gezegd, verdwenen deze klachten toen ik wat ouder werd.


 



Oma Jeltje Evers-Camstra.

Zeer geregeld ging mijn moeder bij oma Evers aan de Hengelosestraat 59 op bezoek. Ik moest dan uiteraard mee. Ik schat dat het vanuit de Emmastraat een half uur lopen was en we moesten dan altijd door de Prinsessentunnel, waar ik me dan als klein ventje steevast achter een der grote pilaren verstopte voor mijn moeder die dan deed alsof ze me niet zag. Bij oma speelde ik dan op straat, of als het slecht weer was, op de grote zolder. Vaak kwam oma bij ons een kopje thee drinken en ik herinner me dat ze zich nogal bezig hield met het veranderen van haar hoedjes. Ze kwam dan lopend naar de Emmastraat en later naar zelfs naar de Weth. Haantjesstraat op het Ribbelt.
 Een gezegde van haar was als ze weer eens een hoedje had veranderd:
"Liena (zo noemde ze moeder), hoe vi'j mie dit heutke dan stoan?"
Ze deed dan voorkomen alsof ze een nieuw hoedje had gekocht.
En dan hadden moeder en ik schik omdat we wisten dat het 't zelfde hoedje was dat ze hiervoor ook al diverse keren veranderd had. Heel dikwijls waren bij oma ook tantes van mij op bezoek met neefjes of nichtjes. Dat was altijd een gezellige boel. Oma had altijd TumTum snoepjes in huis, die er bij ons kinderen best in gingen. Oma's huis stond waar nu het hoge flatgebouw "de Eendracht 2000" staat, aan de achterzijde van het station. Ze woonde dus schuin tegenover het huidige garagebedrijf van Kokkeler.
Oma overleed aan longembolie na een kleine operatie in ziekenhuis "Ziekenzorg" op 19 november 1957 op 74 jarige leeftijd.

Op foto links ziet u v.l.n.r. tante Ada Scheper met op
haar schoot nichtje Elly en rechts oma Evers met op schoot nichtje Ineke.



 

Zware tijden.
Donkere wolken pakten zich echter samen boven de Emmastraat 123.
Vader was genoodzaakt de grossierderij aan de kant te doen omdat er verlies werd geleden.
Hij trad in dienst als vrachtwagenchauffeur bij het groente exportbedrijf van de Gebroeders Vlam dat gevestigd was aan de Boddenkampstraat in Enschede. Het was gesitueerd naast de verpakkingsgroothandel "Twepa" van de familie Snuverink.
Het was voor vader een pijnlijke degradatie nu hij moest werken voor bazen die zich in de oorlog niet bijzonder vaderlandslievend hadden gedragen en hierdoor in Enschede een slechte reputatie hadden.
Hij bracht vrachten groente weg naar de Grossmarkten in Osnabruck, Bielefeld, Essen en veel andere grote steden in Duitsland. Ik mocht als kleine jongen wel eens met hem mee en herinner me die platgebombardeerde steden van na de oorlog nog goed.

 

Een woning voor ons zelf!
Moeder probeerde bij de afdeling volkshuisvesting in het Enschedese stadhuis met al haar overtuigingskracht de toenmalige wethouder Vunderink te bewegen een nieuwbouwwoning toe te wijzen aan ons gezin omdat het met twee gezinnen in een huis leven een op den duur zenuwslopende bedoeling ging worden.
In 1953 was het haar dan toch gelukt! We kregen in het jaar van de grote watersnoodramp in Zeeland, westelijk Noord Brabant en Zuid-Holland een flat toegewezen aan de Weth. Haantjesstraat nummer 58 gelegen in de stadswijk 't Ribbelt.
Stel je voor, een moderne flat met in de keuken een warmwater geiser, een aparte douche met hierin een ingebouwd lavet! Dit was voor ons een ongekende luxe als je je beseft dat aan de Emmastraat mijn wekelijkse grote wasbeurt altijd nog in een zinken teiltje in de keuken had plaatsgevonden, en er door ons kleine gezinnetje toilet gemaakt werd aan het granieten aanrecht. Het huis had op de eerste etage overigens wel een badkamer, maar deze was door de huiseigenaar omgebouwd tot keuken.
 

Een angstig avontuur.
Ik herinner me dat we in het voorjaar van 1953 in afwachting van het gereedkomen van ons nieuwe huis een paar weken bij tante Ada en oom Cor Scheper aan de Min. Dr. de Visserstraat in de kost zijn geweest. We sliepen daar met ons drieën op zolder. Ik vermoed dat dit gedwongen verblijf veroorzaakt werd door een te late oplevering van ons flatje.

Op een zonnige woensdagmiddag maakten we tijdens dit verblijf nog een hachelijk avontuur mee.
Samen met moeder, tante Ada en mijn nichtjes Ineke en Elly Scheper en nichtje Hanneke Evers maakten we een wandeling via de Drienerweg naar het Horstlinde.
Via de Witbreuksweg liepen we weer naar huis, en namen hier een kijkje in een grote zandafgraving. Hier werden spaarbekkens gegraven voor de drinkwatervoorziening van de stad Enschede.
Het gele zand dat hierbij vrijkwam werd gebruikt voor de aanleg van nieuwe startbanen op het Vliegveld Twente.

Beide moeders hadden zich in het Lentezonnetje neergevleid, en wij lummelden wat rond.
Op een gegeven ogenblik hoorden we een eind verderop hulpgeroep. Moeder en tante Ada bedachten zich geen ogenblik en renden er naar toe. Wij er achteraan!
Er stonden een paar jongens van mijn eigen leeftijd huilend en schreeuwend te beduiden dat hun vriendje onder het zand lag. Ze hadden waarschijnlijk een hol in een van de hoge zandwanden gegraven en waren erin gekropen. Toen de wand instortte hadden zij zich kunnen redden, maar hun vriendje Gerrit Stinissen lag op die plek nog ergens bedolven onder het zand…
De beide zusters groeven op de aangewezen plek als bezetenen in het zware gele zand, en minuten leken wel uren te duren. Op een gegeven ogenblik schreeuwde moeder dat ze wat voelde op ongeveer een halve armlengte diep. Met ons allen hebben we hem toen uitgegraven. De jongen was lijkbleek en kon geen woord uitbrengen.
Beide moeders die trilden van emotie, probeerden de jongen op z'n gemak te stellen.
Tante Ada heeft Gerrit later op de middag achter op de fiets naar zijn hevig geschrokken ouders aan de Bentrotstraat gebracht. Wat een spannende middag hadden we beleefd! We hebben er nog vaak aan terug gedacht.
* Na een oproep in de TC Tubantia organiseerde Gerrit Stinissen in september 2003 een reünie vanwege het feit dat hij vijftig jaar geleden gered werd, en waar met uitzondering van beide moeders, alle betrokkenen aanwezig waren. Ik trof daar tot m'n verbazing mijn oud-buurman Diederik Kesler.
Diederik bleek een van de jongetjes te zijn die betrokken was bij dit ongeluk. Hij werd bij deze instorting door het zand bedolven maar kon gelukkig zijn hoofd vrijhouden. Hij vertelde dat hij nog lange tijd last heeft gehad van deze traumatische gebeurtenis. Ook herinnerde hij zich dat dat de beide dames flink gemopperd hadden over hun kapotte nylonkousen.
V.l.n.r.  in de achterste rij staan ds. Dick Ras, Elly Afman, Diederik Kesler en Bertie Kesler.
Daarvoor staan Ineke Scheper, twee schoonzusters Kesler met ernaast de initiatiefnemer Gerrit Stinissen.
De schijver dezes zit knielend in het gras.
 

Kostgangers
Ik moest voortaan dus op de fiets naar school. Deze flat, drie hoog, zonder lift, was gelegen op de hoek van de Dotterbloemstraat. De wekelijkse huur bedroeg Hf.12,- en werd de eerste jaren iedere week door een medewerker van de bouwvereniging (een man met een leren geldtas voor z'n buik) opgehaald. Dit lijkt nu een schijntje, maar ik herinner me nog heel goed dat moeder soms moest krabben om dit bedrag bijeen te krijgen. Eindelijk hadden we weer een beetje privacy. Hoewel, ook in dit kleine flatje was het budget zo klein dat neveninkomsten van een kostganger onontbeerlijk waren. De kostganger die meeverhuisde van de Emmastraat naar de Weth. Haantjesstraat was Kees van Barneveld, die een opleiding fotografie volgde aan de AKI in Enschede. Deze Kees van Barneveld kreeg na z'n eindexamen een baan bij reclamebureau "De Zuil". Nadien is hij nog lang actief geweest als PR man van de Twentse Schouwburg in Enschede. Als laatste kostganger hadden we de boekhouder van de Gebroeders Vlam in huis.
Deze Johan ter Laak uit Oldenzaal had een eigen luxe Auto! Een Peugeot 203 Berline met zo'n lange smalle motorkap. Hij vrijde met een meisje uit de Hyacintstraat, de toenmalig landelijk bekende hardloopster Ine Spijk.
 































Roberskom

De eerste zomer aan de Wethouder Haantjesstraat was voor mij een groot avontuur. Er woonden in de nieuwe buurt veel jongens en meisjes van mijn leeftijd en er werd toen wij er al woonden, nog druk gebouwd door een aantal bouwbedrijven. De vierhoog flat aan de Dotterbloemstraat stond nog in de steigers. Onze buurt was een grote bouwplaats.
Overal lagen steigerplanken en ander bouwmateriaal (onafgeschermd) waar wij grote vlotten van bouwden en hiermee voeren op het toen nog op sommige plaatsen vijftien meter diepe kleigat "de Roberskom".
's Winters was het ook feest in de buurt!
Op deze foto ziet u hoe we ons vermaakten op Roberskom.
Ik heb hier ook leren schaatsen op een paar veel te grote Friese doorlopers, een schenking van oom Jan Stroeve.
Als je met deze schaatsen beentje-over wilde, brak je bijna je nek door die gebogen punten met een stalen knoppen voorop.
Een jaar later kreeg ik echter voor Sinterklaas een paar moderne Friese doorlopers zonder gebogen punten waar ik wel mee uit de voeten kon.
Ook vermaakten we ons prima als er een pak sneeuw lag. Dan gleden we met onze sleetjes van de hellingen naar beneden.
Dat ging dan met hoge snelheid, want de helling uiterst rechts op de foto was de eerste jaren dat we er woonden vele malen steiler. Als je dan geluk had, kwam je soms wel met je sleetje tot aan de andere kant van de bevroren vijver. En dan was je kampioen!

 Enkele jaren later werd het voormalige kleigat gedeeltelijk gedempt en de schuine helling aan de kant van de Weth. Haantjesstraat geëgaliseerd.
In het linkse flatgebouw op de foto woonden we links bovenin.

 


Een flatwoning.
De meeste flatgebouwen in Enschede hadden toen geen liftinstallatie en dat moet met name voor de kolenhandelaren een kwelling zijn geweest.
Ik zie deze mannen, die er vaak uitzagen als Zwarte Pieten, nog puffend en zwetend bij ons naar boven sjouwen met de zware jutezakken vol kolen op de rug die dan geleegd werden in de kolenkist op het balkonnetje.
Bij ons kwam de chauffeur van kolenhandelaar Goldschmidt die van moeder altijd als troost een fooitje voor de verloren zweetdruppeltjes kreeg.
Centrale verwarming was toen nog een te grote luxe, en een Arbowetgeving bestond ook nog niet...
Ik sliep op de zolder waar vader met hulp van oom Cor Scheper een kamertje had afgetimmerd van panlatten die werden bespannen met jute. Hierover werd dan kranten en daarna behang geplakt.
Het was er 's winters bijna even koud was als in de buitenlucht.
Het vroor in die jaren 's winters vaak vele nachten achtereen streng tot zeer streng! Ik sliep dan onder wel vijf dekens en had dan door moeder gemaakte slaapsokken aan die van oude dekens waren gemaakt.
Ook kreeg ik dan met heet water gevulde Grolsch beugelflesjes in bed die dan als warmwaterkruik dienst deden.
En zo kwam Gerrit Jan Splinter dan door de winter…

's Zomers was het op zolder soms gloeiend heet als de zon de hele dag op het dak had staan bakken. Een flink pak isolatiemateriaal en een betere luchtverversing had uitkomst kunnen bieden. Maar over het isoleren van woningen maakte men zich in die jaren niet druk. Het enige wat toen telde was kwantiteit. Er was na de oorlog immers een gigantisch woningtekort ontstaan…
Omdat we in die jaren geen koelkast hadden (dat was in die jaren nog een grote luxe), moest ik wel eens van moeder op de fiets naar de Grolsch brouwerij aan de Brouwerijstraat om voor een kwartje een groot blok ijs te kopen.
Het blok ijs werd dan in een teil werd gelegd, er ging een doek overheen, en dit dan diende als "ijskast".

 



Duimen.
Ook had ik in deze periode nog te maken met een grote schaamte. Ik duimde nog steeds.
Ik kon het niet laten met m'n duim in de mond te zitten met onder m'n neus de heerlijke geur van het stinklaken, zoals ik het stukje laken noemde dat mijn moeder me periodiek in de handen drukte als het gebruikte laken al te zeer begon te stinken.

Toen Kees van Barneveld er later in1955 een foto van maakte, werd ik er op een hele doeltreffende wijze mee geconfronteerd: het resultaat was dat het duimen van de ene op de andere dag was afgelopen.

Ik plaats hier deze foto waarop te zien is dat ik kort geleden nog hinder van netelroos had gehad, gezien de korstjes hoofd en handen. Ik las hier een strip van Kapitein Rob, waar ik in die periode verzot op was.


 

KUREAS
In 1954 kreeg mijn vader kennis aan een zekere Reijso, een zoon van de in Enschede aan de Deurnigerstraat wonende agent van Volvo Vrachtwagen. Vader had hem verteld dat hij wel graag weer voor zichzelf wilde beginnen maar dat het hem ontbrak aan middelen om een nieuwe vrachtwagen aan te schaffen. Alle beschikbare vergunningen had vader immers in z'n bezit en in Duitsland lag het geld voor het oprapen.
Er moest dus iemand worden gevonden die de voorfinanciering kon regelen voor een nieuwe vrachtwagen. Reijso wist wel iemand. Ene Piet Kuitert, de slager van de Malangstraat op het Hogeland was wel bereid geld te steken in deze nog op te richten firma.
Een firmanaam werd ook gauw bedacht. Als KUREAS werd deze nieuwe firma ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Een prachtige lichtblauwe Volvo vrachtwagen werd gekocht maar al gauw bleek deze Reijso een grote boef en avonturier te zijn. Van zaken doen in Duitsland kwam helemaal niets terecht. Reijso hield zich voornamelijk bezig met de jacht op vrouwen in plaats van op klanten. Vader had zich beter niet in dit avontuur kunnen storten. Ik weet me te herinneren dat er in die tijd grote spanningen waren in ons gezin. Er werd toen ook armoe geleden. Vader heeft zich een week of acht nadat ze in het bezit waren van de vrachtwagen uit deze firma teruggetrokken en zat dus zonder werk en enige inkomsten.

Via een kennis heeft vader toen nog een baantje als vrachtwagenchauffeur gehad bij de bouwmaterialen - en betonhandel van Gerretsen in Lonneker.
Dit betekende dat vader op vijftigjarige leeftijd zeer zware arbeid moest verrichten om aan de kost te komen. Hij moest de hele dag zware betonblokken laden en lossen zonder enige hulp van machines.
Moeder heeft in die tijd ook nog thuiswerk verricht. Ik geloof voor een confectie atelier.
Ze vonden het verschrikkelijk. Maar wat moesten ze anders, vader had toch niet de kennis om een ander baantje aan te nemen, althans geen baantje waar z'n botten het wat minder zwaar te verduren hadden.
Stel je mijn vader eens voor, een stille introverte man, die in weelde was opgegroeid in Hengelo en nu door toedoen van die rot oorlog gedwongen was een slecht betaald baantje aan te nemen.
Dit was een afschuwelijke situatie bij ons thuis en een periode in mijn leven waar ik eigenlijk liever niet aan terugdenk.
 



Weer een eigen zaak!

Nog steeds hadden vader en moeder contacten met Harm Koeneman uit Sappemeer die ook wel zag dat het met vader op deze manier bergafwaarts ging. Hij was degene die vader in 1955 een paar duizend gulden leende om hiervoor een tweedehands vrachtauto te kopen en weer opnieuw te beginnen, maar nu uitsluitend met een groothandel in binnenlands fruit. Vader kocht zich een tweedehands vrachtwagentje van het merk Bedford dat eerder dienst had gedaan bij de drankenhandel van Keizer in Enschede. Deze gele (coca-cola Kleur) Bedford vrachtwagen had een open laadbak en werd door vader op het parkeerplaatsje op de hoek van de Wethouder Haantjesstraat en de Dotterbloemstraat met een kwast prachtig overgeschilderd. Ik herinner me nog dat vader weer voor het eerst naar de veiling in Elst was geweest waar de commissionair Jo van der Linden hem een lading fruit kocht, die dan zo snel mogelijk in Hengelo en Enschede uitgevent moest worden bij de groentewinkels en comestibles winkels. Het was zaak 's zomers met de primeurs als eerste bij de klanten te zijn. De eerste rit draaide overigens uit op een fiasco omdat vader zich vergist had bij het vaststellen van de verkoopsprijzen. Vader begon in Hengelo bij Diederik van Noort z'n fruit te verkopen. Vervolgens bezocht hij mevrouw Jo van Tongeren die een comestibles winkel had in de Molenstraat. Ook werden op Klein Driene nog even de groenteboer Jan van de Vegt, Jitze de Groot van de Enschedesestraat en in de Drienerstraat Evert Fransen bezocht voor dat het grote werk in Enschede begon.
 


Vader ziet weer licht aan de horizon.
Ik maak van een aantal groente - en comestibles winkels in Enschede waar vader die eerste jaren aanging met z'n Bedfordje vol Betuws fruit een lijst, eigenlijk om zelf nog eens even stil te staan bij deze periode.
Ongetwijfeld heb ik er een aantal over het hoofd gezien, maar de volgende namen herinner ik me nog:
Ik maak van een aantal groente - en comestibles winkels in Enschede waar vader die eerste jaren aanging met z'n Bedfordje vol Betuws fruit een lijst, eigenlijk om zelf nog eens even stil te staan bij deze periode.
Ongetwijfeld heb ik er een aantal over het hoofd gezien, maar de volgende namen herinner ik me nog:

Achterhuis, Jan Dapper, Haasjes, v.d.Struik, Evert Timmermans,  Johan Assink, Willy van Dijk, Cobie Huisman, Prenger, Frans Welmers, Albert Bargerman, Teun Erdman, Broer Huisman, Nellestein, Willem vd Wetering, H. vd Berg, Bernard Farwick, Nijhof Lonneker, Arent Overduin, Van Son, Prenger, Johan Hurrelbrink, Roelof de Jong, Schaddé, Willem Wevers, Bertus Bijkerk, Henny Fölkner, Michiel Kanon, Henk Scholten, Henny de Wit, H. Bor, Herman Grefte, Jan Kijl, Corrie Slotboom, Tonny Rouwenhorst, J. Bor, Geert Guigelaar, Gé Meijerman, Sonneveld, Jaap Regeling, Staarman.

Als vader "los" was van z'n handel en terugkwam naar huis was het zijn gewoonte op de Floraparkstraat al beginnen te claxonneren ten teken van : "Lien zet de aardappels maar vast op, mijn buik rammelt van de honger".
Ik herinner me dat vaders Bedford vrachtwagentje geen ordinaire claxon had maar een prachtige tweetonige hoorn die je van verre al kon herkennen.
In de Irisstraat huurde vader later een grote garage van z'n achterneef Johan Assink, die samen met z'n broer Jan een groentezaak hadden aan de Oosterstraat in Enschede.
Deze garage werd als opslagruimte gebruikt voor het fruit. Johan Assink had zich aan de Irisstraat een woonhuis met garage laten bouwen en verhuurde deze voor onbepaalde tijd aan mijn vader.
Ik heb hier in mijn jeugd heel wat uren doorgebracht om een zakcentje te verdienen met het laden en lossen van fruit.
Vader maakte 's zomers in het hoogseizoen werkdagen van soms wel 16 uur en ik heb hem nooit horen klagen.
Tussen de middag was het altijd een gehaast van jewelste. Moeder smeerde dan gauw een paar sneetjes brood die vader dan haastje-repje naar binnen werkte
en dan weer aan 't werk.


Hierboven een foto, gemaakt met m'n Gevaert boxje, van m'n ouders op het balkon van ons flatje aan de Weth. Haantjesstraat.
Zo te zien had vader het naar z'n zin. Hij leefde weer langzaam op, maar de financiële toestand bleef zorgelijk.
Er werd niet voldoende winst gemaakt. Durfde vader geen winst te maken of liet de markt het niet toe?
Of was vader niet brutaal genoeg?  Allemaal vragen die onbeantwoord zijn gebleven.


 

Mijn puberjaren waren aangebroken.
Op mijn twaalfde verjaardag kreeg ik echte HUDORA rolschaatsen cadeau van mijn vader en moeder en wel met grote wielen. Dat was het cadeau van de eeuw! Iedereen had wel rolschaatsen, maar Hudora's met grote wielen dat was het absolute summum. Tjonge, wat was ik er blij mee!
We rolschaatsten hiermee eind 1956 op autovrije zondagen op de geasfalteerde Hengelosestraat naar Hengelo en weer terug. Iets bijzonders. Normaal was dit niet mogelijk vanwege het drukke verkeer.
Deze autoloze zondagen werden overigens veroorzaakt door een gewapend conflict tussen Egypte en de bondgenoten Israël, Frankrijk en Engeland.
President Nasser van Egypte liet het Suez-kanaal blokkeren met scheepswrakken toen hij aan de verliezende hand was tegen de drie bondgenoten. Dit had een stagnatie van de olietoevoer tot gevolg.
Deze autoloze zondagen hadden echter niet het verwachte brandstofbesparende effect omdat men al op zaterdag ging rijden om dan op zondagavond laat weer naar huis terug te keren.
Televisie hadden we nog niet in 1956. We hadden radiodistributie. Daarmee kon je een beperkt aantal zenders zonder storing beluisteren: Hilversum I en Hilversum II, en afwisselend de BBC, de West Deutsche Rundfunk en de Belgische radioomroep.
Ik luisterde vaak naar de Skymasters, de Ramblers, Edmundo Ross met z'n Zuid-Amerikaanse rumba orkest, Peggy Lee, Bing Crosby, Eddy Christiani, Conny Francis en niet te vergeten Freddy Quinn met z'n Heimat liedjes.
Allemaal romantiek hoorde je uit de luidsprekers komen in het jaar 1956. Links ziet u de standaard luidspreker en de zenderkeuzeschakelaar van de radiodistributie waar al het luistergenot mee te selecteren viel. Lekker simpel hè?
Na schooltijd gingen we de boer op, schoten dan met onze katapult op wilde zwijnen die we meenden te zien in de donkere bossen van het Hoge Boekel.
We waren allemaal verliefd op hetzelfde meisje, Erica Boll uit de Goudsbloemstraat.
Toen ik dertien jaar was, was Erica zestien. Ze werd door veel jongens uit de buurt stiekem aanbeden. Als eerste van alle buurtmeisjes had Erica een paar echte borsten waarmee ze pronkte door 's zomers laag uitgesneden blouses te dragen.
Dit was ook de tijd dat de meisjes rokken met daaronder petticoats droegen die de rokken wijd lieten uitstaan.
Na Doris Day was Erica Boll het mooiste meisje van de wereld. Als je geluk had zei ze "Hoi" tegen je als je ze tegenkwam. En dan kon je dag niet meer kapot!
Maar ze was en ze bleef onbereikbaar voor ons omdat ze steeds in het gezelschap van grote jongens van zeventien of achttien jaar verkeerde.

We spaarden in die tijd plaatjes van filmsterren die je bij de kauwgum kreeg, hadden een soort kaartspel ontwikkeld met lege sigarettendoosjes, speelden verstoppertje en diefje met verlos.
Een minder prettige herinnering is dat ik altijd voor moeder boodschappen moest halen bij de kruidenierswinkels van de Spar of de COÖP aan de Ribbelerbrinkstraat.
Dit waren in de vijftiger jaren nog geen zelfbedieningszaken. Je stond dan wel eens een half uur op je beurt te wachten voor een enkel pakje Planta margarine.




Moeder vertikte het om zelf de boodschappen te gaan halen. Ik geloof dat ze hiervoor de zelfde argumenten aanvoerde als mijn oma Assink, zoals ik eerder omschreven in deze kroniek.
 
Ik ging inmiddels naar de ULO en leerde in die tijd Bob Oosterveld kennen die zich gewoonlijk bezig hield met het experimenteren met chemicaliën waarvan hij Bengaals vuur maakte of knalvuurwerk. Zeer interessant natuurlijk voor aspirant pubers.
In 1956 begon ook in Nederland de Rock & Roll z'n intrede te doen. Jerry Lee Lewis, Little Richard, Bill Hayley en Elvis Presley waren nu te beluisteren. We luisterden dan vrijdagsavonds zo tegen een uur of zes naar de WDR waar Chris Howland, een Engelsman die met een zwaar Engels accent in 't Duits de internationale hitparade presenteerde, en deze dan afsloot met "Dass war's denn wieder liebe Freunde boing, boing, schöne grüsse vom Heinrich Pompernickel (zo noemde hij zichzelf) und bis nächste Woche…" Dat "boing boing" was zoiets bijzonders op het serieuze medium radio dat iedereen zich steeds weer kapot lachte om de rare fratsen van die man.
We zijn in dat jaar 1956 ook met aantal buurtgenootjes naar de eerste Rock & Roll film geweest, waar Bill Hayley and his Comets en Little Richard in optraden: "Rock around the Clock".
In het westen van het land braken "nozems" hele bioscoopzalen af na het zien van deze film, maar in het City Theater in Enschede bleef het rustig. Gelukkig maar, want we vonden het best wel een beetje eng.

Dit was eigenlijk het begin van de periode dat de jeugd zich begon af te zetten tegen de gevestigde orde. Jongens en meisjes liepen rond met fel gele, flitsend rode of knalgroene sokken, om te laten zien dat ze zich niet meer wilden scharen onder de conventionele meute. Rock & Roll sokken werden die genoemd. Ook zijn we een paar maanden later met z'n allen naar de film "High Society" geweest. Hier speelde Grace Kelly, Bing Crosby, Frank Sinatra en Louis Armstrong in mee. De song "True Love" werd hierin gezongen door Grace Kelly en Bing Crosby. Romantische tijd was dat!

Zwaar werk.
Zoals ik al schreef moest ik na schooltijd vader vaak helpen met het laden en lossen van fruit. Dat was zwaar werk. Een kist appelen woog toentertijd inclusief verpakking 25kg en de peren 30kg en geld voor het kopen van een steekwagen was er niet. Alles werd met de hand gelost en geladen. Toen ik wat meer uit de kluiten begon te wassen, werden er soms drie kisten op elkaar gestapeld waar ik dan mee liep te sjouwen. Hierdoor heb ik ongetwijfeld m'n slechte rug opgelopen. Later kreeg vader hulp van Harry Slottje uit de Goudsbloemstraat die vader na schooltijd, en later als vast personeelslid assisteerde. Later toen Harry ging werken als chauffeur bij de firma Eggers, een exportfirma in groente en fruit uit de Molenstraat in Enschede, werd vader geholpen door Henkie Slottje, de jongere broer van Harry. Aardige jongens waren het.

Vervolgens werd dit werk overgenomen door Jantje Meesters. Jan kwam uit een gezin van zes kinderen en woonde in ons trappenhuis op de benedenetage. Ook aan Jan Meesters heb ik goede herinneringen omdat deze jongen net als die jongens van Slottje harde werkers waren. Voor mij werd het leven toen wat gemakkelijker. Ik kon me ook wat beter met m'n studie bezig houden, hetgeen broodnodig was, gelet op mijn toenmalige matige resultaten op school.
Ik ging in de schoolvakanties wel vaak mee naar de veiling in Elst.
In het hoogseizoen (de pruimentijd) in de maand augustus stonden we dan 's morgens al om vier uur op en kwamen dan soms 's avonds om tien uur pas weer thuis. Toch denk ik aan deze tijd soms met weemoed terug waarschijnlijk ook een beetje vanwege het avontuurlijke karakter. Er gebeurde altijd wel iets spannends onderweg en ik verdiende een aardig centje met dit vakantiewerk.

 

Radiotechniek.
Ik begon interesse te krijgen voor draadloze telefonie.
Het begon in die jaren met experimenten met een eenvoudige beltransformator die ik van mijn zakgeld kocht bij de winkel van Jansen-Edison aan de voet van de Edo Bergsmabrug op de hoek van de Oosterstraat en de Laaressingel. Ook mijn vriendje Bob kreeg interesse in de radiotechniek en langzamerhand begonnen we te experimenteren met zelfgebouwde kristalontvangers waar we de steunzender bij de Kettingbrug aan de Hengelosestraat mee konden ontvangen.
 

Bad Boekelo.
In deze periode bezocht ik regelmatig na schooltijd Bad Boekelo. Ik kreeg van m'n ouders een abonnement.
Dat kostte eind vijftiger jaren het toentertijd niet geringe bedrag à Hfl 17,50.
Dikwijls op vrije dinsdag - en donderdagmiddagen nam ik m'n huiswerk mee naar "de zee op de heide" zoals Bad Boekelo werd genoemd vanwege het grote, met zout water gevulde golfbad en het mooie aangrenzende wandelpark.
In die jaren hadden we zonder uitzondering prachtig weer. Zo herinner ik me dat althans.
Op weg naar Bad Boekelo, als ik langs het spoorlijntje aan de Zoutindustrieweg fietste, verbeeldde ik me het zoute water van het golfbad al te ruiken.
Dan snel de fiets gestald bij de fietsenstalling van Zieleman, een kleedhokje zoeken, de kleren in zo'n houten bak in bewaring geven, en dan de plons in! En natuurlijk uren bakken in de zon.
En als ik dan 's avonds de slaap niet kon vatten vanwege m'n roodverbrande rug, smeerde moeder er Tsjamba Fi op. Dat middeltje haalde de brand eruit.

Af en toe, als de bok vet was en het weer stond het toe, dan kwamen mijn ouders met het Bedford vrachtwagentje ook naar Bad Boekelo en brachten daar de zondag door op het grote terras.
Het was dan vaste prik dat mijn neefjes en nichtjes, die ook vaak aanwezig waren, oom Willem en tante Lien lieten zien wat ze allemaal wel durfden in het diepe golfbad. Ik hoor ze in gedachten nog roepen:" tante Lien, kijk eens...".
En, als de sirene bego
n te loeien, dan kwam het golfbad in beweging. Grote door elektromotoren aangedreven schuiven brachten het water in beweging en je moest als badgast dan rennen om een plaatsje aan de touwen te bemachtigen waar je de hoge golfen dan probeerde te weerstaan.
Klik op de foto links voor een beeld van de drukte in het golfbad van Bad Boekelo op een zonnige zondagmiddag eind vijftiger jaren .
Toen ik een jaar of tien was heb ik heb hier leren zwemmen door in het diepe gedeelte van dit golfbad steeds een stukje verder van de kant te gaan "zwemmen", althans wat daar voor door ging. En zo verdween mijn angst te verdrinken.

Soms fungeerde vader met z'n Bedfordje ook als taxichauffeur als er een plotselinge weersverslechtering had plaatsgevonden. Vrienden en bekenden vroegen dan of ze mee mochten liften naar Enschede. Hun fietsen werden dan achterop de laadbak vastgebonden en de passagiers namen dan plaats onder een dekzeil waar ze tijdens de terugrit naar Enschede konden schuilen voor de regen.
En af en toe als vader goed verdiend had aan een vrachtje, permitteerden ze zich een chique uitje naar bijvoorbeeld hotel bad Boekelo waar ze dan in vol ornaat acte de présence gaven, een glaasje dronken, een dansje maakten en 's nachts weer vrolijk huiswaarts keerden in het Bedford vrachtwagentje…
Geheel in stijl dus! Alles kon in die jaren na de oorlog.
Nu zou men zich generen voor zo'n situatie.

 

"De Anna"
In 1958 was dit Bedford vrachtwagentje te klein geworden voor de firma G.W.Assink, Groothandel in Fruit te Enschede. Er moest dus een grotere worden gekocht. Na veel rekenen werd na overleg met oom Jan Schekman een DAF vrachtwagen gekocht. Ik meen me te herinneren dat hiervoor F.14000,-- betaald moest worden. Het was een prachtige grijsblauwe truck, waar vader geweldig trots op was. Op de voorzijde van de laadbak liet vader door carrosseriebouwer Van Berkum uit Lochem met grote letters ANNA schilderen. Een hommage aan zijn moeder. Iedere maand moest moeder, die de boekhouding deed, alle dubbeltjes bij elkaar schrapen om het af te lossen bedrag te kunnen overmaken aan de financieringsmaatschappij. Vader kon nu veel meer fruit laden en op de veiling VVOB te Elst was ANNA zoals vader daar door het personeel genoemd werd, een welgeziene afnemer. De drukke tijd begon altijd in juni. Dat was de aardbeientijd. Vader ging dan drie keer in de week 's morgens om vier uur op pad om dan netjes op tijd op de veiling alle kavels te kunnen noteren. De veiling begon om 7.00 uur en als alles gladjes verliep dan kon hij met het gekochte fruit om 10.00 uur weer op de terugtocht via de oude weg van Arnhem naar Zutphen, en via Lochem naar Twente. Als het dan meezat, was hij 's avonds om een uur of acht "los" (uitverkocht), maar heel vaak als het met de verkoop tegenzat, werd het wel een uur of tien. In de herfst verkocht vader grote vrachten goedkope peren aan klanten in Denekamp. Deze peren werden door Duitsers gekocht voor de weck. We kochten deze peren vaak voor de minimum prijs van 6 cent en als het meezat konden we een kwartje beuren. Vijfentwintig kilo in een kist betekende dus een brutowinst van HFL 4,75! Ik herinner me dat vader wel eens HFL 800,- aan dit soort vrachtjes verdiende en dat was in die jaren erg veel geld. Maar als het dan de volgende keer weer tegenzat werden deze slechte perenrassen zoals maagdenperen, kraaieperen, ijsbout, jodenperen, nouveau poiteau, beurree de merode en hoe ze ook allemaal hebben mogen heten, verkocht voor drie stuivers per kilo. Ook nog niet slecht…. Maar zelfs met deze grotere vrachtwagen was het over het algemeen geen vetpot. Het probleem was dat er geen financiële reserves konden worden opgebouwd. Dit hield in dat er 's winters soms uitstel van betaling moest worden gevraagd van de maandelijks af te lossen bedragen aan de financieringsmaatschappij als er weer eens slecht verdiend was omdat er geen aanvoer van fruit op de veiling was. Moeder moest dit soort problemen oplossen hetgeen steeds weer leidde tot crisissituaties bij ons thuis. Ik heb, zoals ik al eerder schreef, vader echter nooit horen klagen. Zijn flegmatiek deed mij steeds weer versteld staan. Ik had wel eens het gevoel dat hij van tevoren wist dat de toekomst er nog niet zo slecht uit zag. Een blind vertrouwen dus.

Een van vaders uitspraken op z'n plat Hengelo’s zal ik nooit vergeten:
" 't is nog nooit zo donker e'wes, of 't is wa weer licht e'wodn" .

De DAF vrachtwagen had een 80PK Perkins dieselmotor die keer op keer problemen had met starten bij koud weer en bovendien sprongen af en toe de hogedruk brandstofleidingen wat tot gevolg had dat de dieselolie onder de motorkap vandaan als een nevel naar buiten kwam. Je stonk dan een uur in de wind en moest als de sodemieter naar de dichtstbijzijnde DAF dealer om de boel te laten repareren. Maar ook hebben veel vrienden en bekenden plezier beleefd van deze vrachtwagen.
 



Scheveningen.
Lien en Willem gingen met de "ANNA" menig zomers weekend naar Scheveningen alwaar ze de als "vakantiebungalow" ingerichte vrachtwagen op de Boulevard parkeerden, en slechts de straat hoefden over te steken om op het strand te komen.
Af en toe mocht mijn nichtje Ineke Scheper met een vriendin ook mee.
Overdag lagen ze dan te bakken in de zon en 's avonds mochten ze dansen bij Palais de Dance, een bekende uitgaansgelegenheid in het begin van de zestiger jaren.
Hier traden dan o.a. de "Tielman Brothers" op, een bekende rockgroep van Indische Nederlanders.
En, keurig netjes kwamen de dames dan voor middernacht terug naar onze "bungalow op wielen".
De laadbak van de vrachtwagen was overigens verdeeld in een woon - en een slaapgedeelte, netjes door een gordijn van elkaar gescheiden.
Ik kan me alleen niet meer herinneren welke oplossing ze hadden als je een grote of kleine boodschap moest doen. Op een emmer misschien? En waar lieten ze dan de inhoud van die emmer? Ik weet het niet meer...












Op de foto rechts zien we v.l.n.r. een gedeelte van Willy Grootenhuis, een vriendin van nichtje Ineke, mijn moeder, Betsie Assink, nichtje Ineke Scheper en mijn vader uitpuffend van de klimpartij.

Ik denk dat Johan Assink, een achterneef van vader, dit kiekje geschoten heeft.




Er sliepen dus totaal zes mensen in de laadruimte van de vrachtwagen (!).
Wat zullen late bezoekers van deze Scheveningse parkeerplaats verwonderd hebben geluisterd naar het harde gesnurk van mijn vader…
Maar van ieder weekend in Scheveningen werd met volle teugen genoten. Moeder zorgde dat er op zondagochtend altijd wel iets lekkers bij de koffie was. Befaamd waren de gemberbollen van de beroemde Haagse bakker Krul die in Scheveningen ook een filiaal had. Op den duur werd de parkeerplaats door meer mensen gebruikt om er te overnachten. Enkele dames van lichte zeden begonnen hier hun beroep uit te oefenen in gammele caravans die daar waren geplaatst en dienst deden als peeskamertje. Maatschappelijke problemen waren nu dus te verwachten. Even later was het inderdaad niet meer toegestaan op deze parkeerplaats te kamperen en moesten vader en moeder naar de Scheveningse binnenhaven verhuizen. Hier hebben ze nog een aantal jaren gestaan. Later niet meer met de vrachtwagen, maar met een FIAT bestelwagen, waar ze een zelfgemaakte tent hadden aangebouwd.

 

Dansles.
Toen ik een jaar of zestien was mocht ik samen met m'n vriendjes op zondagmiddag danslessen volgen bij de dansschool van Wim en Gerry Lammerink aan de Spelbergsweg in Enschede. Dit was voor mij altijd een crime omdat ik er niet veel van terechtbracht. En ik vond het altijd verschrikkelijk dat mevrouw Gerry Lammerink mij daarom steeds uitkoos om dan met haar te dansen. M'n maatjes stikten dan de moord van het lachen omdat deze nogal weelderig geproportioneerde vrouw me bij bepaalde dansfiguren zo dicht tegen haar aantrok, zodat het wel leek dat ik met mijn puistenkop tussen haar borsten vastgeklemd zat. Ik was altijd blij als we weer konden gaan. Dat is ook de reden dat ik nooit goed dansen heb geleerd…
Dansles was voor mij dus een min of meer noodzakelijk kwaad. Je moest immers een beetje kunnen dansen om er bij te horen?

Haar naam is niet blijven hangen, maar dit was dan een van mijn kalverliefdes op dansles.
Ik zit hier als ventje van zestien met een dromerige blik (of had ik een pilsje teveel op?) voor de zoveelste keer verliefd te wezen.  Zo te zien was er van haar kant kennelijk ook wel genegenheid want ik mocht m'n arm om haar heenslaan.          
Maar met haar is 't nooit wat geworden.
Ik was heftig op zoek naar het meisje van mijn dromen en bezocht op zaterdagavond feestjes die toen nogal eens gehouden werden in speeltuingebouwtjes.
De ruimtes in deze kale gebouwtjes werden dan versierd met visnetten aan het plafond en op de tafeltjes stonden met kaarsenvet gegarneerde Chianti mandflessen waarin kaarsen zorgden voor de onontbeerlijke sfeerverlichting.

Op dit soort feestjes ontstonden voor mij talloze romances die steeds weer op niets uitliepen. Reden hiervoor was meestal dat ik meisjes uitzocht met het verkeerde geloof. Òf ze waren Rooms òf ze waren van Christelijk Gereformeerde huize.
Steevast kreeg ik dan na een paar weken te horen dat ze het van haar ouders uit moest maken omdat ik niet van dezelfde kerk was.

Nederland was in deze jaren na de oorlog stevig verzuild waarbij de kerken nog grote invloed hadden op het dagelijks leven: men was er in die tijd als de dood zo bang voor dat de mensen zich van de kerk zouden afkeren door invloeden van buitenaf. Pastoors en dominees schreeuwden in die tijd nog hoog van de kansel: " twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen".
En bij dit credo legden de "schaapjes" zich dan neer.
Het was toch immers zo dat meneer pastoor en de dominee de zuivere waarheid spraken. Daar viel absoluut niets tegen in te brengen!

En dan fietste ik 's zaterdagavond, een illusie armer, met m'n ziel onder de arm door de grauwe, slecht verlichte straten van de fabrieksstad Enschede op weg naar het volgende feestje, in de hoop daar de grote liefde te ontmoeten. Ik was verdorie al zeventien, en dan wordt het toch zeker tijd dat je vastigheid krijgt met een meisje….
Een vast uitgaansdoel voor mij en m'n vrienden van weleer waren de dansavonden op de zaterdagavond in de Schouwburg Irene aan de Noorderhagen in Enschede. Hier speelde op de bovenverdieping de "Cotton Town Jazzband" mijn favoriete dixieland en bluesmuziek.
De band speelde van acht tot half twaalf als ik me goed herinner.
Als er dan ergens een feestje georganiseerd werd, en je had op dat moment geen vriendinnetje, dan ging je daar eerst een meisje "versieren" om dan samen met haar vervolgens dat feestje te bezoeken. Er werd dan tête à tête gedanst, goedkope zoete wijn van de Gruijter gedronken (dit "zuurtjeswater" koste 98 cent per fles) en aan het einde van de avond mocht je (als ze er dan nog niet met een ander tussenuit was) haar dan, al slingerend op de fiets, naar huis brengen.
 

Margriet.
En zo gingen weken en maanden voorbij.
Ik zat inmiddels in Hengelo op de UTS en had het erg druk met de studie.
In Enschede had ik uiteindelijk toch het meisje van mijn dromen gevonden: Margriet Huber.
Margriets ouders waren gescheiden. Ze was na de scheiding met haar moeder van Leeuwarden naar Enschede verhuisd en woonde in het grote huis van Jacob Bakker van de ijzerhandel aan de Perikweg. Haar moeder had daar een baan aangenomen als huishoudster.
Margriet's vader woonde met haar broer in Leeuwarden. We zijn daar samen eens op bezoek geweest.
Ik heb met Margriet zo ongeveer een half jaar gelopen, wat in die tijd toch wel gekenmerkt werd als vaste verkering. Maar op een gegeven moment kwam er ook aan deze verkering een eind.
Margriet maakte het uit om de een of andere duistere reden.
Ik weet nog dat ik een week lang helemaal van de kaart was van zelfmedelijden.
Achteraf gezien heeft ze me toch iets kostbaars nagelaten: aan haar heb ik namelijk te danken dat ik van klassieke muziek ben gaan houden. We zaten nogal eens op haar kamertje innig verliefd en hand in hand naar grammofoonplaten met walsen van Chopin te luisteren. Het was een hele romantische tijd.
 

Aan het werk.
Toen de school in Hengelo er op zat, gaven mijn ouders me ter overweging of ik toch niet liever in de zaak wilde komen. Hun argument was dat ik op de lange duur toch meer kon verdienen dan met een baantje in de elektrotechniek. Het was hun bedoeling dat ik dan na onbepaalde tijd de zaak zou overnemen.
Dit zou dan voor mijn ouders een geweldige uitkomst zijn omdat ze mij dan in deze financieel moeilijke jaren geen volledig salaris hoefden uit te betalen.
Ik accepteerde, met als belangrijkste argument de grotere vrijheid die me geboden werd.
Zo rolde ik in de handel en ik heb hier achteraf geen spijt van gehad omdat ik in deze branche echt de handel heb leren kennen. De fruithandel is immers veel moeilijker dan bijvoorbeeld de handel in manufacturen. Ik had nu dus voor de eerste keer in mijn leven een belangrijke keus gemaakt. Op de handelsavondschool haalde ik het noodzakelijke middenstandsdiploma.

 

Diensttijd.
Ik werd ingedeeld bij de Verbindingstroepen en moest opkomen in Grave bij Nijmegen voor de rekrutenopleiding. Hier werd ons verteld dat alles wat we moesten weten ter verdediging van het vaderland, in ons 'Handboek Soldaat' terug te vinden was.
Deze rekrutenopleiding duurde al met al twee maanden.
Hierna verhuisde ik naar de Hojelkazerne in Utrecht voor een zes maanden durende opleiding als radiomonteur.
Hier ziet u een foto van mij en mijn kamergenoten (lichting 62-3) op onze kamer tijdens de kerstdagen van 1962 in de Hojelkazerne.
Staande vlnr ziet u Boelens, Jan Veenhuizen, Peter de Vrind en Vos.
Zittend vlnr: Gerrit Jan Assink, Arie Bakker, Ben(?)van Meurs, Jan Segers en Eddy Eggelaar.

Zo te zien zat de stemming er goed in...
Het was een geweldige leuke tijd; we hadden vreselijk veel lol met elkaar, maar ik moest bij gelegenheid ook flink blokken om bij te blijven met de opleiding radiotechniek.
Ik was dan ook zeer voldaan toen ik na zes maanden deze stoomcursus met goed gevolg had afgelegd. Ik had er flink wat geleerd dat kwam goed te pas kwam voor m'n hobby!
Ik was technisch specialist en had me al op voorbereid op de langdurige diensttijd van 21 maanden.
Maar op goeie dag moest ik bij onze kapitein komen die me vertelde dat ik algehele vrijstelling van dienstplicht kreeg vanwege onmisbaarheid in de zaak van vader. De mond viel me open van verbazing!

Moeder had de militaire rechtbank in Den Haag weten te overtuigen van mijn onmisbaarheid in de zaak omdat vader veel last kreeg van benauwdheid.
Kon ook niet anders want vader rookte in die tijd twee pakjes Egyptische sigaretten (Dubec) per dag.
En stinken dat die dingen deden…
Geen 21 maanden maar slechts 8 maanden had mijn diensttijd geduurd en iedereen behalve hare majesteit de koningin was hiermee tevreden.
Ik was voor haar deze 8 maanden immers een dure kostganger geweest…
 



Ria Dijkstra.
Ik werkte inmiddels een jaartje bij vader, deed goed mijn best op de avondschool, haalde mijn rijbewijzen maar was intussen druk op zoek naar 'vaste verkering', zoals dat zo mooi heette.
Maar zoals ik al eerder schreef, waren alle mooie meisjes van het verkeerde geloof.

Toen, op zaterdagavond 1 juni 1963 zat ik in de schouwburg Irene aan de Noorderhagen in Enschede waar iedere zaterdagavond de "Cotton Town Jazzband" optrad, samen met een vriend een pilsje te drinken.
Ik kende zo langzamerhand alle vaste bezoeksters, maar een paar meter verderop zag ik een schattig gracieus meisje staan dat ik hier nooit eerder had gezien. Ze had een lange paardenstaart en een groene ponchoachtige blouse aan.

Ze was samen met haar nichtje Ank een avondje stappen. Ze was betoverend mooi.
"Ik heet Ria" zei ze, en ze wilde wel een dansje met me maken.
De band speelde Up a lazy river by the old millstream, that lazy lazy river where we both can dream, linger in the shade of an old oak tree....

Romantisch genoeg, maar ik weet ook nog wat ik op dat moment dacht: "daar ga je weer Gerrit Jan, alweer een katholiek meisje. Dit zal ook wel weer op een fiasco uitlopen".
Ik dacht nl. dat Ria een afgeleide was van Maria, hetgeen een indicatie was voor het rooms katholieke geloof.
Maar m'n hart maakte een sprongetje toen ze vertelde dat ze niet kerks was.
Ik was opnieuw stapelverliefd. Zou zij het dan worden?
Een nieuw afspraakje voor het volgende weekend werd gemaakt, maar dat duurde me eigenlijk te lang.
Daarom bracht ik haar de maandag erna een grote doos aardbeien, hetgeen bij haar en haar moeder in zeer goeie aarde viel. Toen maakten we een tussendoorafspraakje voor haar enige doordeweekse vrije avond, de woensdagavond.
De rest van de avonden was ze verhinderd omdat ze op de AKI een cursus vrij tekenen en schilderen volgde.
Vanaf toen zagen elkaar zodra daar maar even gelegenheid voor was. Gerrit Jan Assink had vaste verkering!

 



 




















     Deze  foto werd gemaakt toen Ria en ik elkaar twee weken kenden.


 

Ria's moeder vertelde ons wat er op die dag gebeurde.
"Mijn barensweeën volgden elkaar al in snel tempo op toen ik achterop vader's fiets (met houten banden) gezeten het ziekenhuis Ziekenzorg bereikte. Gelijktijdig werden daar de slachtoffers van het bombardement daar aangevoerd. Het gehele ziekenhuispersoneel werkte      koortsachtig om de gewonden te verzorgen met het gevolg dat er in deze paniek geen verloskundige hulp kon worden gevonden. Uiteindelijk heeft een in de haast opgetrommelde kinderarts (op het laatste nippertje) Ria ter wereld gebracht".



Lotsverbondenheid.
Ria Dijkstra werd geboren op 22 maart 1945.
Het bijzondere van deze datum is dat even voor haar geboorte Amerikaanse bommen ons huis hadden vernield.

 

Deze dag werd in ons gezin met gemengde gevoelens herdacht als een dag des onheils, maar ook als een geluksdag omdat we dit bombardement niet met ons leven hadden moeten bekopen.
Maar de tijd heelt alle wonden zegt men wel eens, en langzamerhand werd de 22e maart voor ons allen een feestdag waarbij door mij ieder jaar toch nog wel even wordt stilgestaan bij deze afschuwelijke gebeurtenis in de Ledeboerstraat in 1945.

Ria en ik hebben, zo u ziet, een vreemde lotsverbondenheid door deze 22e maart 1945.
Onze relatie werd een serieuze zaak, we hadden een heerlijke verkeringstijd, en in 1967 zijn we getrouwd.
En... in september 2007 vierden we samen met onze kinderen en kleinkinderen ons 40 jarige huwelijksfeest.

 

De laatste jaren van Lien en Willem.
Mijn ouders woonden de laatste jaren van hun leven in appartement in de C.F. Klaarstraat in Enschede.
Hier begon mijn vader op 74 jarige leeftijd te dementeren.
Dit was een hele moeilijke tijd voor mijn moeder. Ze klaagde geregeld dat ze het bijna niet meer aankon.
Wij vonden het erg naar voor haar, en achteraf gezien beseften we toen niet hoeveel impact dit heeft gehad op haar gezondheid. Immers, als wij op zondagochtend een kopje koffie kwamen drinken, deed vader toch vrij normaal?
Mijn vader, Gerrit Willem Assink, overleed op 5 juli 1982. Hij was 77 jaar.
Moeder leed de laatste jaren van haar leven aan hartklachten en was hierdoor erg vermoeid.
Carolina Hendrika Assink-Evers overleed op 28 oktober 1987 op 81 jarige leeftijd.
Ik werd een weeskind...
 

Terug naar de introductie pagina